HR 15-10-1996, NJ 1997, 199 Porsche

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

NJ  1997 , 199

HOGE RAAD (Strafkamer)

15 oktober 1996, nr. 102826

(Mrs. Hermans, Keijzer, Bleichrodt, Schipper, Corstens; A-G Meijers; m.nt. ‘tH)

DD 97.039
m.nt. ’tH
DD 1997, 039

Regeling

 

Sr art. 287; Sv art. 51a; WVW art. 36; WVW 1994 art. 6; IVBP art. 26

Essentie

 

  1. Ongeval met 5 doden; doodslag in het verkeer? Ontoereikend bewijs van voorwaardelijk opzet op de dood van de slachtoffers: rijgedrag duidt niet op tevens op de koop toe nemen van eigen overlijden.
  2. Gefaseerde inwerkingtreding van de Wet van 23 dec. 1992, Stb. 1993, 29 (Wet Terwee) niet in strijd met art. 26 IVBP mede gelet op bestaande mogelijkheid om in een civiele procedure volledige schadevergoeding te vorderen.

Doodslag in het verkeer? / ontoereikend bewijs opzet op dood slachtoffers / gefaseerde inwerkingtreding Wet Terwee niet in strijd met 26 IVBP

Tekst

 

Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ‘s‑Hertogenbosch van 29 augustus 1995 in de strafzaak tegen M.B., te Tilburg, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘De Leuvensepoort’ te ‘s‑Hertogenbosch, adv. mr. G. Spong te ‘s‑Gravenhage.

Hof:

Bewezenverklaring en bewijsvoering

4.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

dat verdachte op 3 april 1994 in de gemeente Heesch opzettelijk F.H. Verkuijlen en M.J. Verhoeven en H.J. Raaijmakers en J.C. Verkuijlen en A.J.J.M. Steenbergen van het leven heeft beroofd, immers is verdachte opzettelijk toen en daar met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig, waarin zich die Steenbergen bevond, geheel gaan rijden op een voor het hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, op een moment dat een over laatstgenoemde rijstrook rijdend en hem, verdachte, tegemoetkomend motorrijtuig (Volvo) waarin genoemde F.H. Verkuijlen, M.J. Verhoeven, H.J. Raaijmakers en J.C. Verkuijlen zich bevonden en een achter laatstgenoemd motorrijtuig rijdend en eveneens hem, verdachte, tegemoetkomend motorrijtuig (Audi) tot op korte afstand waren genaderd, tengevolge waarvan aanrijdingen ontstonden tussen dit door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en laatstgenoemde motorrijtuigen tengevolge waarvan voornoemde F.H. Verkuijlen en M.J. Verhoeven en H.J. Raaijmakers en J.C. Verkuijlen en A.J.J.M. Steenbergen zijn overleden.

4.2

Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als relaas van de verbalisanten Scholten en Greveling voornoemd:

Op 3 april 1994, omstreeks 19.55 uur, werden wij in opdracht van de Centrale meldkamer Regionale politie te ‘s‑Hertogenbosch gezonden naar de Nistelrodenseweg in de gemeente Heesch. Onmiddellijk zijn wij ter plaatse gegaan. Aldaar zagen wij voor ons op de linkerrijbaan — komende vanuit de richting van het dorp Heesch — een personenauto, merk Porsche, kleur grijs, dwars op de rijrichting staan. Wij zagen dat op de passagiersstoel, dus aan de rechterzijde van deze auto, een man hing met het hoofd voorover.

Wij zagen dat de man zijn voeten onder het dashboard had. Door de getuigen Nimwegen en Treffers werd deze man, bij leven genaamd A.J.J.M. Steenbergen, met enige kracht uit de auto getrokken, omdat deze man met de voeten bekneld zat onder het dashboard.

Wij zagen voorts dat schuin voor de Porsche, deels in de oostelijke berm van de weg, een totaal verwoeste personenauto stond. Deze auto was van het merk Volvo, kleur rood, type 340. Wij zagen in deze auto de lichamen van in totaal vier mensen. Deze vier mensen bleken bij leven genaamd te zijn:

1

H.J. Raaijmakers;

2

F.H. Verkuijlen;

3

J.C. Verkuijlen;

4

M.J. Verhoeven.

Wij zagen dat de vier slachtoffers geen teken van leven gaven.

Vervolgens zagen wij dat rechts van de dwars op de oostelijke rijbaan van de Nistelrodenseweg te Heesch staande Porsche een personenauto stond, merk Audi, waarvan de voorzijde totaal vernield was.

Door de inmiddels ter plaatse verschenen arts van de GGD, tevens gemeentelijk lijkschouwer, werd ter plaatse de dood geconstateerd van de vijf slachtoffers.

Ter plaatse doende werden wij door omstanders er op gewezen dat de bestuurder van de Porsche lopend was weggevlucht via een naast de weg liggend akkerveld. De bestuurder zou gewond zijn aan de knieën, de benen, de armen en het hoofd.

De ter confrontatie en andere onderzoeken in het Sint Annaziekenhuis te Oss aanwezige politieambtenaren zagen op 3 april 1994, omstreeks 22.50 uur aldaar een man binnenkomen, vergezeld van de broer van het slachtoffer Steenbergen. Deze man had diverse verwondingen in het gezicht en bewoog zijn linkerarm zeer moeilijk. Zij zagen dat het hoofd van de man gewikkeld was in een doek. Desgevraagd deelde de man mede dat hij in een Porsche had gezeten die betrokken was geweest bij een verkeersongeval.

De man werd als verdachte aangemerkt en was genaamd:

B., Michiel, geboren op (…) te Rotterdam.

2

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als relaas van verbalisant Van Doorn:

Ik had op zondag 3 april 1994, te 22.55 uur het eerste directe contact met de verdachte B., leidende tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Ik nam waar dat de adem van de verdachte B. rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Hierop heb ik verdachte aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 36, derde lid, van de Wegenverkeerswet.

als relaas van verbalisanten: (enz.; red.)

3

Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als relaas van rapporteur:

De bepaling van het alcoholgehalte in het bloed van M.B. (…) geschiedde door twee onafhankelijk van elkaar werkende analisten volgens de ADH-methode.

Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de voorgeschreven korrektie 0,72 mg alkohol per ml bloed.

4

(enz.; red.)

9

Een proces-verbaal van verhoor van getuige op 15 september 1994 door de rechter-commissaris houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van E.J.G.A.J. Fautoeboen:

‘Op 3 april 1994 omstreeks 19.40 uur reed ik als bestuurder van een personenauto, merk Seat, kleur rood, vanaf de Wijststraat de Nistelrodenseweg te Heesch op. Bij de kruising had ik goed naar links gekeken en bij het opdraaien van de Nistelrodenseweg had ik geen Porsche zien aankomen. Vrij kort daarna keek ik voor de eerste maal in mijn achteruitkijkspiegel en ook toen zag ik nog geen Porsche. Toen ik voor de tweede keer in mijn achteruitkijkspiegel keek zag ik dat de Porsche al heel dicht achter mijn auto reed. De Porsche zat vlak achter mij en ik schrok daarvan. Volgens mij kan het niet zo zijn dat de Porsche voor mij plotseling heeft moeten remmen, juist omdat, toen ik voor de eerste maal in mijn spiegel keek, ik die Porsche in het geheel nog niet had gezien. Vanaf het moment dat ik de Porsche voor het eerst zag heb ik hem constant in de gaten gehouden. De Porsche heeft 2 à 3 maal geprobeerd mij in te halen. Ik leidde dat af uit het feit dat de Porsche 2 à 3 maal vrij abrupt naar links kwam en meteen weer naar rechts ging.

Ik blijf voor het overige volledig bij de verklaringen die ik op 4 en 17 april 1994 bij de politie heb afgelegd (pag. 131 tot en met 134 van het doorgenummerd proces-verbaal van politie), te weten:

‘Ik keek ondertussen naar voren en zag uit tegenovergestelde richting op de andere rijbaan een donkerkleurige auto naderen. Achter de donkerkleurige auto reed een lichtkleurige auto. Tijdens de vierde inhaalpoging van die Porschebestuurder zag ik in een flits uit de tegenovergestelde richting de donkerkleurige auto naderen. Vanuit mijn linkerbuitenspiegel zag ik de donkere auto recht op de voorzijde van de Porsche inrijden. Ik zag via mijn spiegel dat de gehele achterzijde van de donkere auto vrij van de grond kwam. Met betrekking tot de lichtkleurige auto kan ik alleen maar vertellen dat deze in de rechterzijkant van de Porsche was gereden. Dit heb ik pas gezien toen ik was gestopt en uitgestapt. Toen de Porsche achter mij reed zag ik twee personen in de Porsche zitten.’

Toen ik na de aanrijding naar de Porsche liep zag ik dat bij de bestuurderszitplaats een man zich oprichtte. Ik zag dat die man uit de auto strompelde. Deze man droeg een blauwe spijkerbroek en had kort geknipt donkerblond haar. Hij viel enkele malen. Ik zag deze man een weiland inlopen. In de Porsche zag ik rechts op de bijrijderszitplaats een man liggen. Deze man lag onderuit geschoven tegen het rechterportier aan.

Ik schat dat vanaf het moment dat ik die Porsche voor het eerst in mijn spiegel zag tot aan de klap van de aanrijding er een tijdsbestek is voorbijgegaan van 30 à 45 seconden.

10

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van G.H. de Wit aan verbalisant Scholten voornoemd:

Op 3 april 1994, tegen 20.00 uur, reed ik in mijn auto, merk Audi, over de Nistelrodenseweg te Heesch, komende vanuit de richting van Nistelrode. Ik reed achter een personenauto, merk Volvo. Wij reden met een snelheid van ongeveer 70 à 75 kilometer per uur. Het was druk, met name op de rijbaan van het tegemoetkomende verkeer. Plotseling zag ik dat de Volvo voor mij naar rechts zwenkte. Ik schoot de Volvo voorbij en zag ineens een andere auto dwars over de rijbaan voor mij schuiven. Ondanks hevig remmen reed ik met volle vaart tegen de rechterzijde van de auto, waarvan ik later zag dat dit een Porsche betrof. Nadat mijn auto tot stilstand was gekomen stapte ik uit en liep onmiddellijk naar de rechterkant van die Porsche. Aan de linkerkant van die Porsche stapte een man uit. Ik weet zeker dat dit de bestuurder was van die Porsche. Ik zag dat aan de rechterzijde van de Porsche een man was gezeten. Deze bleek bekneld te zitten. De bestuurder van de Porsche rende weg. De bestuurder bleek naar ik hoorde in zijn gezicht gewond te zijn. De man vluchtte desondanks weg via het veld dat naast de weg lag. Het betrof een lange smalle man.

11

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van M.M.T. Nievelstein aan de verbalisant Greveling voornoemd:

Op 3 april 1994 omstreeks 19.45 uur, reed ik als bestuurster van mijn auto over de rijbaan van de Nistelrodenseweg, gaande in de richting van Heesch.

Ik reed met mijn auto achter een grijze personenauto. Ik zag dat voor de grijze personenauto een rode personenauto reed. Ik zag dat deze auto’s vaart minderden. Wij reden met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur. Ik zag een sportwagen op dezelfde weg rijden komende uit tegenovergestelde richting, in de richting van Nistelrode. Ik zag in een flits dat deze sportwagen plotseling met een onverwachte beweging de rijbaan bestemd voor het verkeer gaande in de richting Heesch opreed. Ik zag dat deze sportwagen vlak voor de mij rijdende rode auto de rijbaan opreed.

Vervolgens zag ik dat die rode auto gelanceerd werd en met de neus omhoog de lucht in werd geslingerd. Hierna zag ik dat deze rode auto, gezien mijn rijrichting, in de rechterberm tot stilstand kwam. Vervolgens zag ik dat de voor mij rijdende grijze personenauto op die sportwagen inreed.

Mijn echtgenoot, de heer Oldenhof, die rechtsvoor op de passagiersplaats zat van de door mij bestuurde auto, sprong onmiddellijk uit de auto en rende in de richting van de rode auto. Ik ben eveneens uitgestapt om te kijken of ik kon helpen. Ik zag plotseling een jongeman lopen op het, gezien mijn rijrichting, gelegen linkerfietspad. Ik zag dat deze jongeman gewond was. Ik ben naar de sportwagen gerend omdat die in brand stond en in die auto nog iemand aanwezig was.

Ik zag dat op de passagiersplaats rechts voorin van die sportwagen een man zat. Ik heb samen met mijn echtgenoot en omstanders geprobeerd die man uit de sportwagen te halen. Dit lukte niet omdat hij met zijn benen helemaal klem zat tussen de onderkant van het dashboard en de rechtervoorzitting/rechtervoorportier. Ik weet zeker dat in die sportwagen maar twee personen hebben gezeten.

12

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van R. Oldenhof aan de verbalisant Greveling voornoemd:

Op 3 april 1994, omstreeks 19.45 uur, reed ik over de rijbaan van de Nistelrodenseweg gaande in de richting van Heesch. Mijn vrouw bestuurde onze auto. Ik zag dat voor mij een grijze Audi reed. Voorts zag ik dat voor deze Audi een rode Volvo reed. Plotseling zag ik dat een bronskleurige Porsche, rijdende over dezelfde weg, doch komende vanuit tegenovergestelde richting, een abrupte manoeuvre naar links maakte. Ik zag dat deze Porsche op onze weghelft kwam, vlak voor de voor ons rijdende Volvo. Vervolgens zag ik dat die rode Volvo met de neus omhoog gelanceerd werd en hierna in de rechterberm tot stilstand kwam. Ik ben uit de auto gesprongen en naar de plek van de aanrijding gerend. Op dat moment zag ik dat vanaf de Porsche een jongeman wegrende. Ik liep naar de Porsche, waarin nog een persoon zat. Ik heb deze man samen met een ander uit de Porsche gehaald. Dit viel niet mee omdat de man op de rechtervoorstoel zat en met zijn benen en onderlichaam klem zat tussen de rechtervoorstoel/rechterportier en het onderste gedeelte van het dashboard. Ik heb maar een persoon zien wegrennen vanaf de Porsche kort na de aanrijding.

13

(enz.; red.)

14

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van F.J.R.C. Hoeks aan de verbalisant Scholten voornoemd:

Op 3 april 1994, omstreeks 20.00 uur, reed ik per fiets vanuit het dorp Heesch naar het dorp Nistelrode. Op dat tijdstip zag ik dat over de rijbaan van de Nistelrodenseweg een Porsche, grijs van kleur, mij met zeer hoge snelheid voorbij reed. Ik zag dat hij diverse voor hem rijdende auto’s inhaalde op zeer gevaarlijke wijze. Hij naderde de voor hem rijdende auto’s tot zeer kort om dan vervolgens met een korte beweging deze voorbij te rijden en dan weer naar rechts te zwenken. Ik zag dat hij bij de zijweg de Wijsstraat de voorsorteervakken voor linksaf volgde en zijn weg rechtdoor vervolgde. Hij reed rechtdoor en volgde toen ook de voorsorteervakken voor het tegemoetkomende linksafslaande verkeer. Even later zag ik dat dezelfde Porsche bij een auto-ongeluk betrokken was.

15

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van F.H.M. Klerkx aan de verbalisant Scholten voornoemd:

Op 3 april 1994, omstreeks 19.50 uur, reed ik met mijn auto vanuit de richting Oss in de richting van Nistelrode. Ik stopte voor de verkeerslichten van het kruispunt te Heesch. Toen ik stilstond werd ik links van mij voorbijgereden door een lichtkleurige Porsche. Deze passeerde mij met zeer hoge snelheid en reed met onverminderde snelheid zeer hard door rood de kruising over. Ik zag dat de auto rechtdoor reed. Ik zag dat hij na vervolgens het verkeerslicht van de Hoogstraat te hebben gepasseerd, een voor hem uit rijdende auto inhaalde. Dit ging ternauwernood goed met de tegenligger. De Porsche kon nog net op tijd naar rechts rijden. Ook zag ik dat de auto niet stopte voor het volgende rode verkeerslicht en met onverminderde snelheid doorreed. Korte tijd later zag ik dat de eerder door mij waargenomen Porsche betrokken was bij een ongeval op de Nistelrodenseweg. Ik zag dat de Porsche dwars over de rijbaan van de Nistelrodense weg stond en dat aan de andere zijde van de Porsche een Volvo totaal vernield stond. Ook zag ik dat tegen de rechterzijde van de Porsche een derde auto stond, die aan de voorzijde was vernield.

16

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van T.C. van Loosbroek aan de verbalisant Scholten voornoemd:

Op 3 april 1994, enkele minuten voor acht uur ’s avonds, reed ik met mijn vrouw per fiets langs de rijbaan van de Osseweg te Heesch. Op genoemd tijdstip zagen mijn vrouw en ik een sportauto uit de richting Oss komen. Ik zag dat de Porsche met zeer hoge snelheid reed. De Porsche reed, gelet op de bekendheid van mij ter plaatse, veel harder dan de toegestane 80 kilometer per uur. Kort daarop zag ik een grote ravage van op elkaar gebotste auto’s. Daaronder de eerder door mij omschreven sportauto.

17

Een proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend door J.J. van den Broek, technisch controleur van de regiopolitie Brabant Noord, houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als relaas van verbalisant Van den Broek voornoemd:

Op 3 april 1994, omstreeks 20.15 uur, heb ik een technisch en een sporenonderzoek ingesteld in verband met een aanrijding waarbij drie personenauto’s, te weten een Porsche, een Volvo en een Audi waren betrokken en vijf mensen de dood vonden te Heesch op de Nistelrodenseweg.

(…)

Uit het sporenonderzoek op het wegdek van de Nistelrodenseweg bleek dat de Porsche zich geheel links op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer bevond op het moment dat de Volvo vanaf de tegengestelde richting naderde. De Porsche botste met de linkervoorzijde tegen de linkervoorzijde van de Volvo. Als gevolg van deze botsing draaide de Porsche een kwart slag linksom en kwam dwars op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer tot stilstand. Op enige afstand achter de Volvo reed de Audi die in dezelfde richting reed als de Volvo. De Volvo werd als het ware van de rijbaan geworpen en hierdoor reed de Audi met zijn voorzijde al remmend tegen de rechterzijde van de Porsche zonder dat de Audi de Volvo raakte.

18

(enz.; red.)

19

Een proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van Michiel B. aan de verbalisanten Greveling en Damen voornoemd:

Op maandag 3 april 1994, omstreeks 17.00 uur ben ik met mijn auto naar mijn vriend Has Steenbergen te Nuland gereden. Daarna zijn we samen met de Porsche van Has naar Lith gereden en hebben daar in een café drie of vier glazen bier gedronken. Vervolgens zijn we naar Oss gereden en hebben daar in het café ’‘t Vervolg’ een paar glazen bier gedronken. Hierna zijn we naar een café aan de Berghemseweg te Oss gegaan, alwaar we een paar pilsjes hebben gedronken. Hierna zijn Has en ik richting Nistelrode gereden. Plotseling was er de aanrijding. Na de aanrijding ben ik uit de Porsche gestapt. Ik ben via het linkerportier uitgestapt. Ik ben na de aanrijding weggelopen van de plaats van aanrijding.

20

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 1994 door de rechter-commissaris Mr. G.J. Roeterdink houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

als verklaring van Michiel B.:

Op de weg naar Nistelrode is met een snelheid van ongeveer 120 à 130 kilometer gereden. Het is mogelijk dat op een of meer kruisingen door rood licht is gereden.

4.3

Voorts heeft het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring overwogen:

(…)

Door de raadsman van verdachte is, kort samengevat, betoogd dat de bestuurder van de Porsche niet het opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft gehad de slachtoffers te doden.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende:

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er met de Porsche kort voor de aanrijding met hoge snelheid is gereden, dat er twee maal door rood licht is gereden, dat er zich gevaarlijke inhaalmanoeuvres hebben voorgedaan en dat verdachte kort tevoren alcoholhoudende drank had gedronken.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door op voormelde wijze aan het verkeer deel te nemen zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans, dat andere verkeersdeelnemers tengevolge van zijn handelwijze van het leven zouden worden beroofd zodat zijn opzet — in de zin van voorwaardelijk opzet — op die levensberoving betrekking had.

De uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep — behoudens ten aanzien van de strafoplegging — bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ‘s‑Hertogenbosch van 22 december 1994, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van ‘doodslag, meermalen gepleegd’. Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

Cassatiemiddelen:

Middel I

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.

In het bijzonder zijn de artt. 350, 359, 415 Sv. geschonden, doordien het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Met name kan verzoekers bewezenverklaarde opzet daar niet uit voortvloeien. De bewezenverklaring is mitsdien niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Toelichting

1

Met betrekking tot het deliktsbestanddeel opzet heeft het hof zakelijk weergegeven overwogen: (enz.; zie onder Hof; red.)

2

Uit de bewezenverklaring blijkt, dat het in casu om een zeer ernstig auto-ongeval gaat, waarbij vijf doden te betreuren zijn. Eén van de slachtoffers was passagier in de auto van verzoeker. ‘Bij voorwaardelijk opzet is’, aldus H.S.R., ‘niet het intreden van het gevolg beslissend voor de vraag opzet of schuld, want in deze gevallen treedt dat gelijkelijk in, maar de psychische gesteldheid van de dader op het moment van zijn gedraging’. ‘Bij voorwaardelijk opzet is het wilselement geheel aanwezig; het kenniselement is echter afgezwakt tot een slechts beseffen van de mogelijkheid van een gevolg.’ Vgl.

H.S.R., 14e dr., pg. 205.

3

De rechtspraak geeft vele gevallen te zien, waarin aanrijdingen van dit soort vervolgd zijn op basis van art. 36 WVW (oud). Vgl. art. 5 WVW (nieuw). Uit voormelde wettelijke voorschriften volgt, dat de wetgever dodelijke verkeersongevallen, ook in geval er sprake is van bewuste grove schuld, onder de werking van de Wegenverkeerswet heeft willen laten vallen. De grens tussen bewuste (grove) schuld en voorwaardelijk opzet is voorts vliesdun. In dit verband is het dan ook, vanuit rechtspolitiek oogpunt bezien van belang onder ogen te zien, dat het van toepassing verklaren van art. 287 Sr. op situaties als de onderhavige een breuk inhoudt met het verleden en met de bedoeling van de wegenverkeerswetgever.

4

Het aanvaarden van voorwaardelijk opzet, in het bijzonder het wilselement daarvan in verkeersdrama’s als deze, verhoudt zich slecht met de veronderstelde wil tot leven van de betrokken verdachte. Vanuit dit gezichtspunt redenerend komt het de verdediging en verzoeker voor, dat bij de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet en met name het wilselement daarvan, niet zozeer beslissend behoort te zijn, welk rijgedrag kort voor de aanrijding is vertoond, maar veeleer welk rijgedrag tijdens c.q. bij gelegenheid van de aanrijding of onmiddellijk daaraan voorafgaand te zien is gegeven.

5

Het tweemaal rijden door rood licht, blijkens de gebezigde bewijsmiddelen ± 10 minuten voor het noodlottig ongeval, ligt mitsdien te ver verwijderd teneinde als bewijsfactor voor de wilsbepaling dienst te doen.

6

Onbegrijpelijk is ook, dat het hof het alcoholgebruik redengevend heeft geacht voor het opzet. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen gaat het om een promillage van 0,72 mg alcohol per ml bloed. Het gaat hier dus om één der lichtste gevallen van rijden onder invloed, die krachtens de richtlijn van 7 dec. 1994, Stcrt. 1994, 250 zelfs met een politietransactie kan worden afgedaan, waarmee tot uitdrukking komt dat de daarmee gepaard gaande kans op het in gevaar brengen van de veiligheid van het verkeer minimaal te achten is. In voormelde richtlijn wordt in dit verband opgemerkt dat uit onderzoeken is gebleken dat boven de grens van 570 mg/liter (1,3 0/00) de kans op een verkeersongeval meer dan evenredig stijgt. Tegen deze achtergrond kan voormeld alcoholpromillage bezwaarlijk redengevend worden geacht voor het opzet van verzoeker. In dit verband verdient HR NJ 1971, 31 (Haarlemse rechter) in herinnering te worden gebracht. Voor het bewijs van het in ernstige mate onvoorzichtig rijden bleef in die zaak over, dat de verdachte ter plaatse 40 km per uur had gereden, de bromfietser in het geheel niet had gezien en ten tijde van het ongeval iets meer dan 0,5 promille alcohol in het bloed had, naar drank rook en een suffe indruk maakte. Hieruit kon volgens Uw Raad niet worden afgeleid, dat de verdachte onder de beschreven omstandigheden (auto met gladde banden, glad wegdek) in ernstige mate onvoorzichtig had gereden. In 1971 was dus een iets te hoog alcoholpromillage niet redengevend voor schuld, terwijl zulks in 1995 wèl zou zijn voor opzet. Dat is zeer vreemd. Op grond van het voorgaande is ’s hofs arrest onbegrijpelijk, in zoverre daarin verzoekers geringe alcoholpromillage mede redengevend voor het opzet is geacht.

Middel II

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

(enz.; red.)

Middel III

(enz.; red.)

Middel IV

Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt.

In het bijzonder zijn de artt. 1 GW, 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) geschonden, doordien het hof in strijd met het gelijkheidsbeginsel onder overneming van gronden van de eerste rechter de vordering van de benadeelde partij kinderen Verkuijlen voor een bedrag van ƒ 18 036,50 toewijsbaar heeft geacht. ’s Hofs arrest kan in zoverre niet in stand blijven.

Toelichting

1

Bij wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 is de wettelijke positie van het slachtoffer, voorheen in de wet ‘beledigde partij’ geheten (een benaming die bij daders, die zich door acties van slachtoffers beledigd voelden, wel eens tot verwarring aanleiding gaf) verbeterd. Zoals gebruikelijk worden wetten in ons land genoemd naar de ontwerpers daarvan. Deze wet wordt dan ook aangeduid met de benaming wet-Terwee.

2

De invoering van de wet heeft kort samengevat geleid tot de volgende veranderingen.

a

De beledigde partij wordt voortaan genoemd: benadeelde partij (titel IIIA boek 1 Sv.). Zij kan haar vordering indienen niet slechts ter terechtzitting, maar ook al voordien door middel van een zogenaamd voegingsformulier, waarvan een model door de minister is vastgesteld (art. 51b Sv.); aanwezigheid van de benadeelde partij ter terechtzitting is niet meer vereist. De hoogte van de vordering is niet meer beperkt, de oude grenzen van ƒ 600 (kantonrechter) en ƒ 1500 (rechtbank) gelden niet meer. De benadeelde partij kan haar vordering splitsen in een eenvoudig te bewijzen deel, waarvoor zij zich voegt in het strafproces, en het overige deel, dat zij desgewenst nog aan de burgerlijke rechter kan voorleggen (art. 51a, lid 3 Sv.). Dit laatste hangt samen met de — zonodig ambtshalve toe te passen — bevoegdheid van de strafrechter om een benadeelde partij geheel of ten dele niet-ontvankelijk te verklaren indien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding (art. 361, lid 3 Sv.). De benadeelde partij heeft een eigen recht van hoger beroep gekregen tegen afwijzing van haar vordering, indien noch de verdachte noch de officier van justitie in hoger beroep is gegaan (art. 421 Sv.).

b

Er is een nieuwe sanctie ingevoerd, de zogenaamde schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr.). De commissie Terwee had voorgesteld om dit niet een maatregel, maar een straf te laten zijn. De wetgever heeft gekozen voor een maatregel omdat het bij schadevergoeding primair gaat om herstel van de rechtmatige toestand, waartoe de dader reeds uit anderen hoofde is gehouden, en niet zoals bij een straf om toevoeging van leed aan de dader vanwege zijn gedrag en zijn schuld. Een straf moet worden gerelateerd aan de ernst van het feit, de verwijtbaarheid van het gedrag en de draagkracht van de verdachte, terwijl de maatregel wordt opgelegd op voorwaarde dat de dader civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade, waarbij de hoogte van de maatregel wordt bepaald door de (naar civielrechtelijke criteria vast te stellen) omvang van de schade. De schadevergoedingsmaatregel houdt in dat de verdachte wordt verplicht om een bepaald bedrag te betalen aan de staat ten behoeve van het slachtoffer. De staat neemt de incasso op zich, zodat de benadeelde hier niet zelf voor hoeft te zorgen. De staat keert een ontvangen bedrag onverwijld uit aan het slachtoffer (art. 36f, lid 1 Sr.). Op het niet voldoen aan deze verplichting moet de rechter vervangende hechtenis stellen — art. 24c is van overeenkomstige toepassing — met dien verstande dat toepassing van vervangende hechtenis de verplichting tot betalen niet opheft (art. 36f, lid 6); het woord ‘vervangende’ is dus misleidend.

c

In art. 14c Sr. is de mogelijkheid opgenomen van een nieuwe bijzondere voorwaarde die kan worden verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling: storting van een door de rechter vast te stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen. Blijkens de wetsgeschiedenis wordt hierbij gedacht aan situaties zoals in geval van een zedendelict waarbij het slachtoffer geen prijs stelt op schadeloosstelling, of in geval geen individualiseerbaar slachtoffer is aan te wijzen.

3

Tot 1 april 1995 is de wet overeenkomstig het bepaalde in art. VIII tweede lidgefaseerd ingevoerd. Deze bepaling luidt:

Bij Koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze wet of bepaalde artikelen daaruit slechts van toepassing zijn in bij dat Koninklijk besluit aan te wijzen arrondissementen. Behoudens eerdere intrekking vervalt deze aanwijzing twee jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip.

Bij KB zijn vervolgens de arrondissementen ‘s‑Hertogenbosch en Dordrecht aangewezen.

3

Artikel IX van evengenoemde wet behelst voorts een overgangsbepaling, voorzover hier van belang luidende:

De artikelen I tot en met VI van deze wet zijn niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding.

Deze bepaling is in zoverre van belang, omdat volgens vaste rechtspraak in het algemeen (bij gebreke van een afwijkende overgangsbepaling) de rechter bij verandering van wettelijke bepalingen betreffende de vormen der rechtspleging, en daar gaat het hier ook om, de wet dient toe te passen gelijk deze geldt ten tijde van zijn handelen.

4

Uit de geschiedenis van totstandkoming van de betrokken wet, in het bijzonder uit het advies van de Raad van State blijkt, dat de Raad niet bijster gecharmeerd was van een gefaseerde invoering van de wet. Het advies behelst daartoe:

De raad is van oordeel, dat als uitgangspunt dient te gelden dat nieuwe strafprocesrechtelijke bepalingen voor het gehele land tegelijkertijd worden ingevoerd.

Slechts in uitzonderlijke situaties kan daarvan worden afgeweken.

De Raad is er niet van overtuigd dat zich zo een situatie thans voordoet.

Vgl. TK 1991–1992, Kamerstuk 21.345 D.

5

Ofschoon de Raad van State zich niet categorisch tegen een gefaseerde invoering betoonde rijst de vraag of een zodanige invoering te verenigen valt met art. 1 Grondwet voorzover inhoudende dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld en het eveneens in art. 26 IVBP tot uitdrukking komende gelijkheidsbeginsel.

6

Die vraag zal ontkennend moeten worden beantwoord, omdat evenbedoelde gefaseerde invoering medebrengt, dat gedurende twee jaar degenen die in de arrondissementen ‘s‑Hertogenbosch en Dordrecht terechtstaan in hun strafproces onderworpen zijn aan andere voorschriften inzake de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij dan hun lotgenoten in andere arrondissementen. Het bepaalde in art. 1 Grondwet en 26 IVBP garandeert immers, dat plegers van misdrijven in ‘s‑Hertogenbosch en Dordrecht op gelijke wijze worden behandeld als buiten die arrondissementen het geval is, in dier voege dat hun proces aan dezelfde wetten onderworpen is en getoetst wordt.

7

Niet ontkend kan worden dat het eindresultaat van de vergoeding in die periode hetzelfde zou kunnen zijn geweest, omdat de benadeelde partij de schade in ieder geval via civielrechtelijke weg kan opeisen, maar — en dat was ook een belangrijke reden voor het wetsvoorstel — een dergelijke procedure vertraagt de executabiliteit van de vordering. Als feit van algemene bekendheid mag worden verondersteld, dat in het algemeen een vertraging van de executie van aanzienlijke geldsommen door de daartoe veroordeelden om vaak diverse redenen positief gewaardeerd wordt. In zoverre zijn dus degenen, die in beide arrondissementen gedurende de gefaseerde invoering terechtstonden er slechter aan toe geweest dan veroordeelden in andere arrondissementen. Behoudens het voorgaande kan in dit verband nog gewezen worden op de omstandigheid, dat in de nieuwe wet sprake is van een vereenvoudigde bewijsvoering en de rechter bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een sanctie c.q. ‘penalty’ in de zin van art. 7 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 15 IVBP, ingevolge het bepaalde in art. 36f lid 6 Sr., dat art. 24c Sr. van overeenkomstige toepassing verklaart, verplicht is ‘vervangende hechtenis’ op te leggen voor het geval van niet volledige betaling of verhaal. In het algemeen is het effect van de wet dus, dat de positie van de verdachte zwakker en die van het slachtoffer er beter op is geworden.

8

Gelet op het vorenstaande is vorenbedoelde gefaseerde invoering in strijd met het gelijkheidsbeginsel te achten. Dit brengt mee, dat het hof, mede gelet op voormelde overgangsbepaling, de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij had moeten toetsen aan de oude wettelijke bepalingen te dier zake, hetgeen medebrengt, dat de vordering slechts tot ƒ 1500 toewijsbaar was. De wet is immers niet van toepassing op strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding, welk tijdstip in de hier verdedigde opvatting met het buiten toepassing verklaren van de gefaseerde invoeringsregeling gesteld dient te worden op 1 april 1995.

Hoge Raad:

5 Beoordeling van het eerste middel

5.1.1

De onderhavige zaak betreft een geval waarin, naar in de gebezigde bewijsmiddelen besloten ligt, de verdachte na gebruik van alcoholhoudende drank met een personenauto, merk Porsche, zeer gevaarlijk heeft gereden en een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij vijf personen — te weten de vier inzittenden van de auto waarmee de Porsche in botsing is gekomen alsmede de mede-inzittende van de Porsche — het leven hebben verloren. Alleen de verdachte zelf heeft het ongeval overleefd. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte deze vijf personen opzettelijk van het leven heeft beroofd.

5.1.2

In de gebezigde bewijsmiddelen ligt als vaststelling van het Hof besloten dat de verdachte met zijn Porsche rijdend op een tweebaansweg twee maal voor een rood verkeerslicht niet heeft gestopt, en diverse voor hem rijdende auto’s heeft ingehaald door deze met een korte beweging voorbij te rijden en daarna gelet op de tegenliggers nog net op tijd weer naar rechts te zwenken, en voorts dat hij kort voor de aanrijding twee à drie maal heeft geprobeerd een voorliggende auto in te halen, daartoe vrij abrupt naar links en meteen weer naar rechts gaand. Tijdens de vierde inhaalpoging is hij met de door hem bestuurde Porsche frontaal tegen een uit de tegenovergestelde richting komende auto gebotst.

5.2

Degene aan wiens schuld, bij gelegenheid van een botsing met een door hem bestuurd motorrijtuig de dood van een ander te wijten is, kan ingevolge het ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen van kracht zijnde art. 36 WVW worden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. Indien de schuldige verkeerde onder zodanige invloed van een stof, zoals bijvoorbeeld alcohol, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht, of indien een van de andere in het derde lid van art. 36 WVW genoemde strafverzwarende omstandigheden van toepassing is, bedraagt de maximaal op te leggen gevangenisstraf drie jaren. Indien, gelet op het aantal slachtoffers, het feit bovendien meermalen is gepleegd bedraagt, ingevolge het bepaalde in art. 57 Sr, de maximaal op te leggen gevangenisstraf vier jaren. Krachtens de artikelen 6 jo. 175 van de thans van kracht zijnde Wegenverkeerswet 1994 gelden diezelfde maxima. Opmerking verdient dat de regering — de vraag onder ogen ziende of die maxima ook in de meest ernstige gevallen van grove onvoorzichtigheid met dodelijk gevolg de oplegging van een adequate straf mogelijk maken — indiening van een wetsvoorstel tot verhoging van die maxima overweegt.

5.3

Het geval kan zich voordoen dat ten aanzien van een verdachte die door zeer gevaarlijk te rijden een ongeval met dodelijke afloop heeft veroorzaakt moet worden aangenomen dat deze de slachtoffers van dat ongeval opzettelijk van het leven heeft beroofd, zodat art. 287 Sr van toepassing is, bij welke bepaling een gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren is bedreigd. Zo’n geval doet zich voor indien de verdachte zijn gedraging willens en wetens op de dood van die slachtoffers heeft gericht. Voorts kan een zodanig geval zich voordoen indien moet worden aangenomen dat de verdachte zich aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen willens en wetens heeft blootgesteld, met dien verstande dat hij — in plaats van erop te rekenen dat een en ander wel goed zal aflopen — de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen — in dit verband wordt gesproken van voorwaardelijk opzet — kan, behalve op grond van de verklaring van de verdachte, worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval.

5.4

In gevallen als het onderhavige, dat zich hierdoor kenmerkt dat de gebezigde bewijsmiddelen nopen tot de gevolgtrekking dat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft gelopen, dient de rechter evenwel in zijn oordeel te betrekken dat — behoudens aanwijzingen voor het tegendeel — naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat een frontale botsing met een tegemoetkomende auto zal plaatsvinden, en hij als gevolg van zijn gedraging zelf het leven zal verliezen, eveneens op de koop toe neemt.

5.5

Gelet op het evenoverwogene en in aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte meermalen — kennelijk om een botsing te vermijden — een ingezette inhaalmanoeuvre heeft afgebroken vooraleer de in de bewezenverklaring bedoelde fatale inhaalmanoeuvre uit te voeren, hetgeen er op wijst dat althans in de voorstelling en naar de verwachting van de verdachte laatstbedoelde manoeuvre niet tot een botsing zou leiden, behoeft de bewezenverklaring, in het bijzonder voorzover daarbij is aangenomen dat verdachtes opzet was gericht op de dood van de slachtoffers, nadere motivering.

5.6

Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

6 Beoordeling van het vierde middel

6.1

Het middel behelst de klacht dat het Hof de vordering van de benadeelde partij niet tot een bedrag van ƒ 18 036,50 had mogen toewijzen nu de gefaseerde inwerkingtreding van de Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29 betreffende de verbetering van de positie van slachtoffers van strafbare feiten (in werking getreden in de arrondissementen Dordrecht en ‘s‑Hertogenbosch op 1 april 1993 en in de overige arrondissementen op 1 april 1995) in strijd is met het in art. 1 Grondwet en art. 26 IVBP neergelegde gelijkheidsbeginsel.

6.2

Voorzover in het middel een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in art. 1 Grondwet, miskent het dat de beoordeling van de grondwettigheid van wetten ingevolge art. 120 Grondwet niet toekomt aan de rechter.

6.3

Art. 26 IVBP houdt in:

All persons are equal before the law and are entitled without any discrimination to the equal protection of the law. In this respect the law shall prohibit any discrimination and guarantee to all persons equal and effective protection against discrimination on any ground such as race, colour, sex, language, religion, political or other opinion, national or social origin, property, birth or other status.

6.4

De onder 6.1. genoemde wet behelst voorzover te dezen van belang een wijziging van de regeling met betrekking tot de voeging van de benadeelde partij ter zake van haar vordering in het strafproces. Die wijziging houdt onder meer in dat de grenzen van de bedragen tot welke de rechter de vordering van de benadeelde partij kan toewijzen zijn vervallen en dat de benadeelde partij in haar vordering alleen dan ontvankelijk is indien de vordering eenvoudig van aard is. Voorts bestaat de mogelijkheid om de vordering van de benadeelde partij te splitsen in een gedeelte dat wel van eenvoudige aard is en een gedeelte waarbij dat niet het geval is en dat kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Tenslotte behelst de Wet onder meer enige voorschriften van procedurele aard met betrekking tot de personen die zich als benadeelde partij in het strafproces kunnen voegen, het tijdstip en de wijze van voeging, het recht op inzage in de processtukken en het bewijs van de geleden schade ter zake waarvan vergoeding wordt gevorderd.

6.5

Mede gelet op de voor het slachtoffer bestaande mogelijkheid om in een civiele procedure volledige schadevergoeding te vorderen, valt niet in te zien dat de gefaseerde inwerkingtreding van genoemde wet jegens de verdachte een schending van art. 26 IVBP oplevert. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheid dat veroordeelden waarde zouden hechten aan de vertraagde executabiliteit van de vordering maakt dat niet anders.

6.6

Het middel is derhalve ongegrond.

7 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Conclusie

 

A‑G mr. Meijers

1

De vervolging en berechting van verkeersmisdrijven, die zich kenmerken door bijzonder roekeloos rijgedrag met ernstige gevolgen kan zonder dogmatisch bezwaar met terzijdestelling van de grondslag van culpa worden gebaseerd op opzet. Dit gebeurt ook in de rechtspraak (o.m. Rb. Utrecht, VR 1993, 6; HR DD 92.266 (= VR 1993, 4); Hof Den Bosch 12 april 1995, waarop de conclusie van AG Fokkens van 5 maart 1996 (tot verwerping) in de zaak nr. 102.184 betrekking heeft). De feitelijke omstandigheden bepalen de keuze tussen culpa en opzet. Omdat, schrijft W.H.A. Jonkers in zijn beschouwing in Honderd jaar Wetboek van Strafrecht (p. 236), ‘het opzet en de culpa (naar haar kern) gesitueerd zijn binnen het handelend subject, is het rechtstreekse bewijs ervan altijd problematisch’. Jonkers vervolgt: ‘Het bewijs wordt daarom — een gave bekentenis daargelaten — steeds afgeleid uit uiterlijke omstandigheden waarbij men zich dan ook nog ‘behelpt’ met de constructie van voorwaardelijk opzet’* [1] . Vgl. HSR, 12e druk, p. 192 met verwijzing naar de conclusie van AG Loeff voor HR VR 1957, 51; P.J.H.M. Brouns, Opzet in het Wetboek van Strafrecht (diss. RUG 1988), p. 249–263.

2

Het bijzonder schrijnende geval, waarop het bestreden arrest betrekking heeft, kenmerkt zich door de volgende omstandigheden. Op 3 april 1994 tegen kwart voor acht ’s avonds heeft verzoeker als bestuurder van een Porsche op een druk bereden provinciale weg, met één rijstrook voor de ene, één voor de andere richting, met flinke overschrijding van de toegestane snelheid van 80 km/u een aantal gevaarlijke inhaalmanoeuvres ondernomen. Bij de laatste inhaalactie is verzoeker, op de niet voor hem bestemde weghelft, op een tegenligger gereden. Daarbij vonden de vier inzittenden van de tegemoetkomende auto de dood. Ook een passagier in verzoekers auto stierf ter plaatse. Er was bij verzoeker drank in het spel en vóór de fatale inhaalmanoeuvre had verzoeker tot twee keer toe een rood verkeerslicht genegeerd en had hij zich niet aan een voorsorteervak gestoord.

3

Het openbaar ministerie te ‘s‑Hertogenbosch heeft aan verzoeker primair doodslag ten laste gelegd. Het hof heeft met bevestiging in zoverre van het vonnis van de rechtbank het primair telastegelegde bewezen verklaard en verzoeker voor doodslag veroordeeld. Het hof legde overeenkomstig de eis van de procureur-generaal bij het hof aan verzoeker een gevangenisstraf van zes jaren op (en nam ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen de beslissingen van de rechtbank over).

De voorgestelde middelen

4

Mr. Spong snijdt het punt waarop het hier (en in een geval als dit) aankomt in het eerste middel aan: kan het telastegelegde opzet, in de variant van het kansopzet, uit de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen volgen? Het middel betrekt, als ik het goed zie, niet expressis verbis de algemene stelling dat de verkeersrechtelijke systematiek aan een vervolging, berechting en bestraffing voor de ‘commune’ opzetdelicten van moord, doodslag en zware mishandeling in de weg zou staan. Voor die stelling zijn ook geen dogmatisch-juridische, beleidsmatige of praktische argumenten te vinden. Wel verschijnt in de toelichting op het middel (onder 3) de opvatting dat het van toepassing verklaren van art. 287 Sr op een geval als dit ‘een breuk (…) met het verleden’ inhoudt. Deze opvatting is door de feiten achterhaald; zij vindt evenmin steun in de bedoeling van de verkeerswetgever; zie de gegevens in voetnoot 1.

5

Het hof heeft aan de hand van door het hof vastgestelde omstandigheden (de snelheid waarmee met de Porsche werd gereden, het enige malen door rood licht rijden, het verrichten van gevaarlijke inhaalmanoeuvres, het negeren van voorsorteervakken, drank in het spel) het kansopzet bewezen geacht. Het middel betwist de deugdelijkheid van de bewijsredenering van het hof onder meer met de opvatting dat niet het rijgedrag kort voor de aanrijding, maar het rijgedrag bij de aanrijding beslissend dient te zijn bij de vaststelling van voorwaardelijk opzet (toelichting, punt 4). Voorts acht het middel onbegrijpelijk (toelichting, punt 6) dat het hof het ‘geringe alcoholpromillage’ mede redengevend heeft geacht voor het bewijs van het opzet.

6

Om bij dit laatste punt te beginnen: a. Het gaat om een complex van ernstige en gevaarlijke gedragingen (de verwijzing in de schriftuur naar HR NJ 1971, 31 (Haarlemse rechter) is dan ook niet to the point); b. Uit bewijsmiddel 19 blijkt dat verzoeker na 17.00 in het ene café ‘drie of vier glazen bier’ en vervolgens, vóór 19.45 uur, in een ander café ‘een paar pilsjes’ heeft gedronken. Bewijsmiddel 2 bevat het verslag van de bloedafname, die vier-en-een-half uur later, om 00.15 uur van de volgende dag, plaats vond. Het minste wat hiervan te zeggen valt is dat hierdoor de bij het bloedonderzoek vastgestelde waarde, 0,72 pro mille (bewijsmiddel 3), een vertekend beeld geeft. Het hof heeft in de aparte bewijsoverweging op p. 12 van het arrest terecht het feit dat verzoeker kort tevoren (behoorlijk wat) alcoholhoudende drank had gebruikt redengevend geacht voor het bewijs van het opzet. Het desbetreffende middelonderdeel is ongegrond.

7

Het eerste punt (alleen het rijgedrag bij en niet dat vóór de aanrijding is relevant) is evenmin moeilijk te pareren. Het beeld van het rijden van verzoeker wordt bepaald door de omstandigheden, die het hof vermeldt. Die omstandigheden horen bij elkaar. Zij verraden de mentaliteit van een cynisch en rücksichtlos op de koop toenemen van ernstige gevolgen, zoals die op een drukke weg te verwachten zijn. Deze, uit de vastgestelde verkeersgedragingen van verzoeker sprekende, mentaliteit mag (ik zou haast zeggen: moet) in strafrechtelijke zin vooral uit maatschappelijke overwegingen, die met repressie en met zowel speciale als generale preventie te maken hebben, worden vertaald in opzet, al dan niet in zijn ‘voorwaardelijke’ vorm. Vgl. A.A.G. Peters in Opzet en schuld in het strafrecht (1966), p. 114. Het middel komt tevergeefs tegen het feitelijke en, in het licht van de vastgestelde omstandigheden, geheel begrijpelijke oordeel van het hof op, zodat ook dit onderdeel faalt. Het middel is in beide onderdelen ongegrond.

8

(enz.; red.)

9

Het vierde middel behelst de klacht dat het hof de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij had moeten toetsen aan de oude wettelijke regeling op dit punt en niet aan de wettelijke regeling zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde feit — in verband met de gefaseerde invoering — van toepassing was in — onder meer — het arrondissement ‘s‑Hertogenbosch.

Art. VIII van de Wet van 23 december 1992 (Stb. 1993/29), waarin de huidige regeling aangaande — onder meer — de benadeelde partij is opgenomen luidt:

1

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan zijn.

2

Bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat deze wet of bepaalde artikelen daaruit slechts van toepassing zijn in bij dat koninklijk besluit aan te wijzen arrondissementen. Behoudens eerdere intrekking vervalt deze aanwijzing twee jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip.

Bij Koninklijk Besluit van 27 januari 1993 (Stb. 1993/71) is bepaald dat genoemde wet met ingang van 1 april 1993 in werking treedt in de arrondissementen ‘s‑Hertogenbosch en Dordrecht.

De Raad van State had de toelichting op het middel enkele opmerkingen aangaande de gefaseerde inwerkingtreding. Ik citeer uit het advies d.d. 9 juli 1991 (TK 21 345, D):

(…) Als argument voor de beoogde gefaseerde invoering van het wetsvoorstel wordt aangevoerd dat de werkgroep die de inwerkingtreding voorbereidt, heeft voorgesteld de wet eerst in een paar arrondissementen in te voeren om zodoende beter zicht te krijgen op de beleidsmatige en praktische consequenties van deze wet.

De Raad is van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat nieuwe strafprocesrechtelijke bepalingen voor het gehele land tegelijkertijd worden ingevoerd. Slechts in uitzonderlijke situaties kan daarvan worden afgeweken. De Raad is er niet van overtuigd dat zich zo een situatie thans voordoet.

Het voorstel ware dan ook op dit punt te heroverwegen, dan wel van een overtuigender motivering te voorzien. In het laatste geval ware in de toelichting een indicatie te geven om welke arrondissementen het gaat en welke gedeelten van de wet na inwerkingtreding bij koninklijk besluit van toepassing zullen worden verklaard. Voorts ware te verduidelijken wat zal geschieden indien binnen de periode van twee jaren de consequenties van het wetsvoorstel tegenvallen.

In de toelichting bij de tweede nota van wijziging heeft de toenmalige minister van justitie deze motivering gegeven (TK 21 345, nr. 10):

De commissie die de inwerkingtreding van deze wet voorbereidt, heeft voorgesteld deze wet eerst in een paar arrondissementen in te voeren om zodoende beter zicht te krijgen op de beleidsmatige en praktische consequenties van deze wet. De huidige uitvoeringspraktijk verschilt immers op belangrijke onderdelen de iure en de facto van de in het wetsvoorstel beoogde. Bezien zal worden wat van alle betrokkenen, in het bijzonder de slachtofferhulporganisatie, de politie, het openbaar ministerie en de reclassering, wordt verwacht. Een goede samenwerking tussen deze organisaties is een voorwaarde voor het welslagen van het wetsvoorstel. Het opzetten van dergelijke samenwerkingsverbanden vergt zowel organisatorische maatregelen als inhoudelijke afstemming. Aan de hand van dit experiment kan worden bezien hoe deze samenwerking kan worden geoptimaliseerd, zodat zonodig, alvorens de wet landelijk wordt ingevoerd, tijdig maatregelen kunnen worden getroffen. Hierbij zij aangetekend dat een goede voorbereiding van de uitvoeringspraktijk mede in het belang is van het slachtoffer teneinde bij een landelijke invoering de met het wetsvoorstel beoogde versterking van de positie van het slachtoffer ook feitelijk in de praktijk te kunnen realiseren. Overwogen wordt de arrondissementen ‘s‑Hertogenbosch en Dordrecht als proef-arrondissementen te laten fungeren. In deze arrondissementen zal de gehele wet in werking treden.

Uit het verdere verloop van de kamerbehandeling blijkt dat de gefaseerde invoering juist als een pluspunt werd gezien om ervaring op te doen en zo nodig, alvorens de wet voor het gehele land van toepassing zou worden, deze aan te kunnen passen.

Het middel steunt op de opvatting dat de gefaseerde invoering van de nieuwe regels inzake de benadeelde partij in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, zoals dat onder meer tot uitdrukking wordt gebracht in art. 1 Grondwet en art. 26 IVBP.

Voorzover het middel rechtstreeks een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en op art. 1 Grondwet, miskent het dat art. 120 Grondwet de rechter verbiedt om te toetsen of een wet in overeenstemming is met de Grondwet of met fundamentele rechtsbeginselen (vgl. HR DD 93.421 en 95.177).

Ook het beroep op art. 26 IVBP zal niet kunnen slagen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de reden voor gefaseerde invoering uitsluitend is gelegen in de wens om de nieuwe regeling in de praktijk te kunnen toetsen. Niet valt in te zien dat hierdoor sprake is van discriminatie cfm. art. 26 IVBP. Hierbij verdient nog opmerking dat de nieuwe regeling er niet toe leidt dat verzoeker eerder of tot een hoger bedrag civielrechtelijk aansprakelijk is dan in de oude regeling. Dat een vertraging van de executie, die de oude regeling ten opzichte van de nieuwe regeling zou kunnen opleveren, door de daartoe veroordeelden in het algemeen als positief gewaardeerd zou worden vermag ik niet in te zien, aangezien het langdurig voortslepen van een procedure juist vaak leidt tot hogere aansprakelijkheid in verband met de verschuldigde wettelijke rente (zie art. 6:119 BW).

Dat in de nieuwe regeling tevens de mogelijkheid is opgenomen dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd doet hier niet ter zake, nu een dergelijke maatregel in de onderhavige zaak niet is opgelegd.

Het middel faalt.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

Noot

 

1

Het belang van de onderhavige zaak ligt vooral in de afgrenzing van het voorwaardelijk opzet van de bewuste schuld, een onderwerp waarover in de doctrine nog weinig overeenstemming bestaat. Het betreft hier een zeer ernstig verkeersongeval. Verdachte reed als bestuurder van een Porsche over een drukke provinciale weg met een snelheid die ver boven het maximum lag. Tevoren had hij alcohol gebruikt. Op zijn rit was hij twee keer door het rode licht gereden en hij had al eerder enkele gevaarlijke inhaalmanoeuvres gemaakt.

Uiteindelijk was hij bij het inhalen, op de niet voor hem bestemde weghelft, met een tegenligger in botsing gekomen. Daarbij waren vijf doden te betreuren. Deswege werd hij niet, zoals gebruikelijk, uitsluitend vervolgd op basis van art. 36 WVW (oud) c.q. art. 6 WVW 1994, maar primair wegens doodslag (art. 287 Sr).

2

Voor vervolging van wegpiraten die zwaar lichamelijk letsel of de dood van een ander teweegbrengen wegens zware mishandeling (art. 302 Sr) of wegens doodslag (art. 287 Sr) heeft een grote terughoudendheid bestaan. De discussie over mogelijkheid en wenselijkheid is hoog opgelaaid in 1994, toen in Vlissingen een motorrijder, met een snelheid van ongeveer 150 km per uur waar 50 km was toegestaan (althans volgens persberichten, zie VR 1995, p. 204–206), een zevenjarig meisje doodreed en slechts op grond van art. 36 WVW (oud) werd vervolgd in plaats van primair op grond van doodslag. Zie bijvoorbeeld het zeer kritische commentaar Inleidende strafrechtsdogmatiek voor het Zeeuwse parket door ‘Woordkramer’, VR 1995, p. 172; zie ook P.H.S. van Rest in Algemeen Politieblad 1996, 9, p. 20–21. Het beklag van de ouders ex art. 12 Sv bij het Haagse Hof strandde op een niet-ontvankelijkverklaring, aangezien zich niet de situatie voordeed dat niet werd vervolgd of de vervolging niet werd voortgezet. Na cassatie in het belang der wet heeft de HR uitgemaakt dat het mede tot de taak van het Hof behoort om te beoordelen ter zake van welke wettelijke strafbaarstelling de vervolging had moeten worden ingesteld. Zie HR 25 juni 1996, NJ 1996, 714, m.nt. Schalken, die eveneens uiterst kritisch op het optreden van het OM in deze zaak terugkomt. Maar dit alles neemt niet weg dat vervolging voor commune delicten zeker voorkomt, zoals de A‑G Meijers in zijn conclusie memoreert. Zie bijvoorbeeld, met betrekking tot art. 302 Sr, HR 10 maart 1992, VR 1993, 4.

3

In de overwegingen van het Hof omtrent het opzet wordt een aantal gedragingen van de verdachte voorafgaand aan het ongeval in aanmerking genomen: het gebruik van alcoholhoudende drank, de hoge snelheid, het twee maal rijden door rood licht en de gevaarlijke inhaalmanoeuvres. In het eerste middel wordt dit aangevochten met de stelling, dat niet het rijgedrag kort voor de aanrijding beslissend hoort te zijn maar het rijgedrag tijdens dan wel bij gelegenheid van de aanrijding of onmiddellijk daaraan voorafgaand. Maar evenals de A‑G Meijers rekent ook de HR de door het Hof genoemde gedragingen tot de bijzondere omstandigheden van het geval die in aanmerking mogen worden genomen bij het bewijs van het opzet. Zeker in het verkeersstrafrecht dient rijgedrag niet statisch te worden vastgelegd op de einduitkomst, maar als het ware filmisch te worden gevolgd in zijn evolutie. Zo mag een automobilist er van uitgaan dat een overstekende voetganger correct zal oversteken en dat een andere weggebruiker die hem voorrang moet geven dat ook correct zal doen, en daarop zijn rijgedrag afstellen. Pas op het moment dat het voor hem duidelijk moet zijn dat de oversteker dronken is of dat de andere weggebruiker geen voorrang zal geven, dient hij zijn eigen gedrag bij te stellen. In het geval dat er een aanrijding volgt moet niet alleen naar de slotfase worden gekeken, maar moet het oordeel over het rijgedrag van de automobilist afhankelijk worden gesteld van de vraag of hij in de onderscheiden stadia van de verkeersontwikkeling telkens een legitieme afweging heeft gemaakt tussen eisen van vlotheid en eisen van veiligheid. Zie Strafrecht en beleid, Leuven/Zwolle 1983, p. 312–315. Op een vergelijkbare wijze wordt in de onderhavige zaak, wanneer voor het oordeel over het opzet wordt gekeken naar de maatschappelijke betekenis en strekking van de gedragingen van de verdachte, gelet op de indruk die het totale rijgedrag gedurende een vrij ruime tijdsspanne maakt en niet alleen naar het sluitstuk bij de fatale botsing.

4

De rechtsoverwegingen van de HR naar aanleiding van het eerste middel behelzen allereerst een korte samenvatting van de heersende leer omtrent opzet. Waar het in geval van art. 287 Sr gaat om een materieel omschreven opzetdelict, dient het opzet (mede) gericht te zijn op het teweeggebrachte gevolg. Dat opzet kan zich voordoen in verschillende varianten. Allereerst het geval dat de verdachte zijn gedraging willens en wetens heeft gericht op de dood van zijn slachtoffers, waarmee de HR opzet als zekerheids‑, noodzakelijkheids‑ of waarschijnlijkheidsbewustzijn samenvat. Ten tweede opzet als mogelijkheidsbewustzijn, of wel voorwaardelijke opzet (kansopzet, dolus eventualis): de verdachte heeft zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat andere verkeersdeelnemers door zijn gedraging het leven zullen verliezen, in de zin dat hij de aanmerkelijke kans dat anderen door zijn gedrag het leven zullen laten desbewust heeft aanvaard en op de koop toe genomen. Nu het in deze zaak gaat om voorwaardelijk opzet, is de vraag hoe dit van bewuste schuld moet worden afgescheiden.

5

Voor voorwaardelijk opzet is ten eerste een kenniselement vereist: de dader moet zich van de mogelijkheid van het intreden van het gevolg bewust zijn geweest. Het bewust horen te zijn of het redelijkerwijs kunnen begrijpen, eigen aan schuld-onachtzaamheid, is niet voldoende. Zie ook de conclusie van de A‑G Fokkens voor HR 8 juli 1992, NJ 1993, 13. Bovendien geldt voor voorwaardelijk opzet een wilsvereiste: de dader moet die kans willens en wetens hebben aanvaard, voor lief hebben genomen, op de koop toe hebben genomen. Alleen het bewustzijn van de mogelijkheid (dus het kennisvereiste) is onvoldoende. Zie ook P.J.H.M. Brouns, Opzet en schuld in het wetboek van strafrecht, Arnhem 1988, p. 225; HR 12 maart 1957, NJ 1957, 386, m.nt. WP; HR 6 februari 1996, DD 1996.199. Bij bewuste schuld ligt het kennisvereiste, in de afgezwakte vorm van het beseffen van de mogelijkheid van het gevolg, net als bij het voorwaardelijk opzet, maar het wilselement ontbreekt.

6

Van de aanvaarding van voorwaardelijke opzet in rechtspraak en doctrine gaat voortdurend de dreiging uit dat, zoals Remmelink het noemt, ‘culpose zaken onder de opzetwals geraken’. Zie Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 15e dr., p. 208. Het hierboven globaal aangeduide onderscheid moet, tegen de opdringende opzetconstructies, telkens opnieuw worden gehandhaafd en gepreciseerd.

Wat betreft het kenniselement is van belang of de ruime formulering ‘zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ wordt gehanteerd, zoals bijvoorbeeld in het Cicero-arrest HR 9 november 1954, NJ 1955, 55, of de bijna even ruime variant ‘zich willend en wetens blootstellen aan de geenszins denkbeeldige kans’ zoals in HR 26 juni 1962, NJ 1963, 10, m.nt. WP en nog vrij recent in HR 1 november 1994, NJ 1995, 200, m.nt. C, dan wel het engere criterium van de ‘aanmerkelijke kans’ die de verdachte desbewust moet hebben aanvaard en op de koop toegenomen. Zie de kritiek op de ruime formulering door Pompe in zijn noten onder HR 12 maart 1957, NJ 1957, 386, en HR NJ 1963, 10, en in dezelfde geest Corstens in zijn noot onder HR NJ 1995, 200. In het onderhavige arrest wordt ook weer het engere criterium gehanteerd.

Bovendien speelt hier de vraag of men al dan niet het weten, dus het kennisvereiste, ziet als de kern van het opzet. Over de verschillende opzetleren, zie Brouns, a.w., p. 14 e.v. Voor een centrale positionering van het weten, zie W. Nieboer, Wetens en willens (oratie Tilburg), Arnhem 1978; G.A.M. Strijards, Facetten van dwaling in het strafrecht, Arnhem 1983, p. 76 e.v.; W.H. Vellinga, Schuld in spiegelbeeld, Arnhem 1982, p. 79. Juist doordat het weten bij voorwaardelijk opzet en bewuste schuld gelijk ligt, bestaat in deze laatste optiek, die van de zogenaamde voorstellingsleer, inderdaad een groot gevaar dat het terrein van de bewuste schuld wordt opgeslokt dor het voorwaardelijk opzet en dus het gevaar dat het bereik van de opzetdelicten enorm wordt uitgebreid (een gigantische uitbreiding van de opzetdelicten dreigt eveneens indien voorwaardelijk opzet wordt geconstrueerd met behulp van een culpa in causa-achtige redenering die neerkomt op een schending van een zorgplicht, en zo gaat tenderen naar een vorm van risico-aansprakelijkheid; zie de noot onder HR 19 november 1991, NJ 1992, 250). Andere schrijvers, die zich tegen deze dreiging keren, zijn vaak te beschouwen als voorstanders van de wilsleer, die ook beter aansluit bij de wetsgeschiedenis. Zie bijvoorbeeld Remmelink, a.w., p. 205 (noot 2) en 208; S.I. Politoff en F.A.J. Koopmans, Schuld, 2e dr., Arnhem 1991, p. 127–128, 135–143.

7

Het voorwaardelijke opzet, zowel het willen als het weten, kan inbeginsel worden afgeleid uit de verklaring van de verdachte en/of de bijzondere omstandigheden van het geval. Als gedrag een normatieve betekenis heeft — zie J.F. Glastra van Loon, Norm en handeling, Haarlem 1956 — dan kunnen willen en weten worden vastgesteld aan de hand van de maatschappelijke strekking van het gedrag. Zie ook A.A.G. Peters, Opzet en schuld in het strafrecht, Deventer 1966, p. 114, 123 e.v. Maar juist het ‘emotionele element’ van het op de koop toenemen — zie Politoff en Koopmans, a.w., p. 139–141 — verschaft de rechter de ruimte om, bij de afscheiding van enerzijds het op de koop toe nemen bij voorwaardelijk opzet en anderzijds de lichtzinnigheid bij bewuste schuld, eigen psychologische overwegingen op het conto van de dader te schrijven en vervolgens te laten meewegen. Dat is in het onderhavige arrest te zien in r.o. 5.4., waar de HR overweegt dat het (behoudens aanwijzingen van het tegendeel) naar ervaringsregelen niet waarschijnlijk is dat de verdachte de aanmerkelijke kans om zelf het leven te verliezen bij een frontale botsing eveneens op de koop heeft toegenomen. In het licht van deze psychologische overweging als uitgangspunt krijgen andere aspecten van het rijgedrag betekenis dan alleen de louter gevaarlijke. Juist het feit dat de verdachte eerder ingezette inhaalmanoeuvres had afgebroken kan worden gezien als een teken dat in de voorstelling van de verdachte de fatale inhaalmanoeuvre, die hij wel doorzette, niet tot een botsing zou leiden (r.o. 5.5.). Aldus bezien zou de maatschappelijke betekenis van het rijgedrag van de verdachte juist kunnen zijn, dat hij een botsing niet wilde aanvaarden. Men zou in deze uitspraak nieuwe aandacht voor het psychische aspect van het opzet kunnen lezen. Maar het in aanmerking nemen van deze gegeneraliseerde psychische factor betekent niet, dat het voorwaardelijk opzet niet meer geobjectiveerd zou worden. Het gaat immers niet om de individuele psyche van de specifieke verdachte, maar om een algemene veronderstelling van de rechter omtrent de wijze waarop mensen over het algemeen in elkaar steken, naar ervaringsregelen, naar aanleiding van en aansluitend bij andere aspecten van het rijgedrag van de verdachte. Dientengevolge zou het bewijs van het opzet, want daar gaat het hier om, juist wat betreft het wilselement, het op de koop toe of het voor lief nemen, nadere motivering behoeven.

8

Politoff en Koopmans, a.w., p. 135–143, hebben sterk de nadruk gelegd op de crimineel-politieke aspecten van het voorwaardelijk opzet. Die aspecten zijn dan evenzeer verbonden aan de (beperkende) afbakening van deze opzetvariant. De onderhavige uitspraak valt goed te plaatsen in de door Remmelink gesignaleerde zorg van de HR om nauwlettend toe te zien op hetgeen zich heeft afgespeeld teneinde te voorkomen dat in het grensgebied tussen dolus en culpa de bewuste schuld wordt geannexeerd door het voorwaardelijk opzet. Zie Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 15e dr., p. 208. Dat stelt extra eisen aan de rechterlijke motivering, juist in verkeerszaken waarin de verdachte niet alleen de veiligheid van zijn medeweggebruikers in de waagschaal heeft gesteld, maar ook zijn eigen leven of althans zijn eigen lichamelijke integriteit. Bij twijfel tussen voorwaardelijk opzet en bewuste schuld zal de rechter, zoals Politoff en Koopmans betogen, moeten opteren voor de onachtzaamheid. Dat dit het aantal veroordelingen van wegpiraten op grond van de art. 287 of 302 Sr niet zal verhogen, en dat regelmatig zal moeten worden teruggevallen op art. 6 WVW 1994, is dan een te aanvaarden gevolg. Voor de wetgever zou dit een reden te meer kunnen zijn, om de hoogte van de wettelijke strafpositie te heroverwegen.