HR 29-09-1995, NJ 1997, 340 Recht op pleidooi

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

HOGE RAAD

29 september 1995, nr. 15778

(Mrs. Martens, Roelvink, Heemskerk, Nieuwenhuis, Swens-Donner; A-G Vranken; m.nt. HJS onder HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341)

RvdW 1995, 197
m.nt. HJS onder HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341
RVDW 1995, 197

Regeling

Rv (oud) art. 48, 144, 347, 353, 419

Essentie

Recht op pleidooi in hoger beroep. Verhouding vaststelling in vonnis en audiëntieblad. Afwijzing pleidooi en fundamentele beginselen van procesrecht. Aanvullen rechtsgronden in cassatie. Nadere toelichting van partijen en OM gevraagd.

Recht op pleidooi in hoger beroep / verhouding vaststelling in vonnis en audiëntieblad / afwijzing pleidooi en fundamentele beginselen van procesrecht / aanvullen rechtsgronden in cassatie / nadere toelichting partijen en OM gevraagd

Samenvatting

Art. 144 Rv is als onderdeel van de voorschriften omtrent ‘de wijze van procederen’ in eerste aanleg krachtens art. 347 lid 1 Rv in hoger beroep toepasselijk, ook al komt de bepaling over toelating tot de pleidooien niet voor in de — limitatieve — opsomming van art. 353 lid 1 Rv.

Een beslissing waarbij op verzoek van partijen of één hunner een dag voor pleidooi wordt bepaald, kan niet worden aangemerkt als een incidenteel vonnis, doch vormt een beschikking ter rolle.

De Hoge Raad is krachtens art. 419 derde lid Rv gebonden aan de vaststelling van de rechtbank dat nadat één der partijen had verzocht om te worden toegelaten tot de pleidooien, de zaak ter beslissing op dit verzoek is verwezen naar de kamer die het bestreden vonnis heeft gewezen. Zelfs als deze vaststelling zou afwijken van wat uit het audiëntieblad zou blijken, maakt deze afwijking die vaststelling niet zonder meer onbegrijpelijk (vgl. HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335).

De klacht dat de rechtbank het verzoek te worden toegelaten tot de pleidooien heeft afgewezen terwijl de wederpartij tegen toewijzing geen bezwaar uitte en de openbare orde zich daartegen niet verzet, doet, in verband met art. 48 Rv, de vraag rijzen of in burgerlijke zaken in acht te nemen fundamentele procesrechtelijke beginselen meebrengen dat de rechter het verzoek van één der partijen haar zaak te mogen bepleiten slechts mag afwijzen indien de wederpartij zich tegen toewijzing van dat verzoek verzet en dan enkel op grond van daarbij aangevoerde klemmende redenen welke het bij uitzondering afwijzen van zulk een verzoek rechtvaardigen.

Partijen

Petrus Antonius Giovanni Maria Boumans, te Rothem, gemeente Meerssen, eiser tot cassatie, adv. mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

Bistro ‘t Plenkske B.V., te Maastricht, verweerster in cassatie, adv. mr. J.M. Barendrecht.

Tekst

Rechtbank:

Het geding in hoger beroep

Van de vonnissen d.d. 22 april 1992 en 30 september 1992 tijdig in hoger beroep gekomen, heeft appellante, verder te noemen: ‘t Plenkske, vier grieven voorgedragen en geconcludeerd, dat voornoemde vonnissen door de rechtbank zullen worden vernietigd en dat de rechtbank, opnieuw rechtdoende, bij vonnis de vorderingen van geïntimeerde alsnog af zal wijzen als zijnde ongegrond dan wel onbewezen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, met bepaling, dat geïntimeerde de proceskosten verschuldigd zal zijn na een termijn van veertien dagen na vonnis, met bepaling, dat geïntimeerde na het verstrijken van die termijn de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn.

Daarop is door geïntimeerde, verder te noemen Boumans, ook na daartoe een laatste uitstel te hebben verkregen, geen memorie van antwoord genomen, waarna hem het recht daartoe is ontnomen.

Vervolgens heeft Boumans de rechtbank verzocht om toegelaten te worden tot de pleidooien. Ter beslissing op dit verzoek is de zaak verwezen naar deze kamer.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat artikel 144 Wetboek van Rechtsvordering onverkort van toepassing is op de procedure in hoger beroep, in die zin, dat er in hoger beroep eveneens een wisseling van conclusies moet hebben plaatsgevonden alvorens partijen tot de pleidooien worden toegelaten. Dit brengt mede dat, nu Boumans geen memorie van antwoord heeft genomen, er niet gesproken kan worden van het wisselen van conclusies, en er geen ruimte is om partijen tot de pleidooien toe te laten.

De rechtbank zal partijen niet toelaten tot de pleidooien.

(enz.)

Cassatiemiddelen:

Middel I

De Rechtbank heeft blijkens blad 32, zevende horizontale kolom, van het audiëntieblad van haar rol in de tweede week van 1994 beslist dat het door Boumans verzochte pleidooi zal plaats vinden op 10 mei 1994 te 10.00 uur.

Uit niets blijkt dat de wederpartij van Boumans bezwaar maakt tegen de beslissing waarbij dit pleidooi bepaald werd.

Uit NJ 1985/457 blijkt dat een ter rolle genomen beslissing omtrent het al dan niet houden van pleidooi beschouwd moet worden als een incidenteel vonnis.

In de tweede alinea van blad 2 van het thans bestreden vonnis biedt de Rechtbank een overweging omtrent processuele gebeurtenissen. Deze weergave stemt kennelijk niet overeen met datgene wat uit voornoemd audiëntieblad blijkt omtrent genoemd incidenteel vonnis. In deze thans gewraakte tweede alinea overweegt de Rechtbank immers dat de zaak, nadat Boumans had verzocht tot de pleidooien te worden toegelaten ‘ter beslissing op dit verzoek’ werd verwezen naar deze kamer (die op 10 mei 1994 zat).

Aldus heeft de Rechtbank het recht op vier manieren geschonden. In de eerste plaats miskende de Rechtbank dat een beslissing waarbij pleidooi bepaald wordt blijkens NJ 1985/457 beschouwd moet worden als een incidenteel vonnis.

In de tweede plaats heeft de Rechtbank in het thans bestreden vonnis een weergave van processuele gebeurtenissen gegeven welke kennelijk niet overeenkomt met hetgeen daaromtrent uit het audiëntieblad blijkt.

In de derde plaats heeft de Rechtbank bij vonnis d.d. 10 mei 1994 het verzoek van Boumans afgewezen terwijl de wederpartij geen bezwaar uitte tegen toewijzing van dit verzoek en de openbare orde niet gemoeid is met dit verzoek.

In de vierde plaats heeft de Rechtbank in strijd met de goede procesorde op 10 mei 1994 een vonnis gewezen waarin het tegenovergestelde werd beslist van hetgeen blijkens het audiëntieblad reeds bij incidenteel vonnis was beslist.

Middel II

De Rechtbank schond het recht, te weten art. 353 BRV, toen zij onder het opschrift ‘Beoordeling’ overwoog dat art. 144 BRV onverkort van toepassing is op de procedure in hoger beroep. Art. 353 BRV, dat bepaalt welke regels omtrent de procedure in eerste aanleg van toepassing zijn op de procedure in tweede aanleg, noemt immers het pleidooi en/of art. 144 BRV niet.

Bovendien heeft de Rechtbank haar oordeel, als zou art. 144 BRV onverkort van toepassing zijn op de procedure in hoger beroep, niet gemotiveerd terwijl zulke toelichting en uitleg wel geboden is bij die beslissing die niet voor de hand ligt.

Hoge Raad:

1 Het geding in feitelijke instanties

In mei 1991 heeft thans eiser tot cassatie — verder te noemen: Boumans — zich gewend tot de Kantonrechter te Maastricht met verzoek voor recht te verklaren (verkort weergegeven) dat het hem door thans verweerster in cassatie — verder te noemen: ‘t Plenkske — per 24 december 1990 op staande voet gegeven ontslag nietig is, en ‘t Plenkske te veroordelen om hem het hem toekomend brutosalaris ad ƒ 3810,62 per maand cum annexis door te betalen vanaf 24 december 1994 totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf 20 januari 1991.

Nadat ‘t Plenkske tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter, na bij comparitie van partijen tevergeefs een schikking te hebben beproefd, bij tussenvonnis van 22 april 1992 Boumans in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de hoogte van zijn vordering. Bij eindvonnis van 30 september 1992 heeft de Kantonrechter de vordering toegewezen tot bedragen als in dit vonnis vermeld.

Tegen beide vonnissen heeft ‘t Plenkske hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.

Bij vonnis van 10 mei 1994 heeft de Rechtbank partijen niet toegelaten tot de pleidooien en de zaak naar de rol verwezen ‘voor dossier beide partijen’.

(…).

3 Beoordeling van de middelen

3.1

Inzet van dit geding is de vraag of het door ‘t Plenkske op 24 december 1990 aan Boumans op staande voet gegeven ontslag rechtsgeldig was. De Kantonrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord. ‘t Plenkske heeft bij dagvaarding van 30 oktober 1992 hoger beroep ingesteld en daarin op 18 november 1993 van grieven gediend. Boumans heeft, ook na daartoe een laatste uitstel te hebben verkregen, geen memorie van antwoord genomen, waarna hem het recht daartoe is ontnomen. Boumans heeft daarop pleidooi gevraagd. Hij stelt dat ter rolle van 10 maart 1994 pleidooi is bepaald op 10 mei 1994 10.00 uur.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 10 mei 1994 evenwel vastgesteld dat de zaak ter beslissing op het verzoek van Boumans was verwezen naar de kamer die dit vonnis heeft gewezen; bij dit vonnis heeft de Rechtbank besloten partijen niet tot de pleidooien toe te laten omdat, nu Boumans niet voor antwoord had geconcludeerd, niet was voldaan aan de voorwaarde die haars inziens is neergelegd in het óók in hoger beroep toepasselijke artikel 144 Rv., te weten dat partijen slechts tot de pleidooien mogen worden toegelaten na ‘het wisselen der conclusiën’.

3.2

Middel II voert tegen de beslissing van de Rechtbank aan dat de Rechtbank daarbij ten onrechte, immers met schending van art. 353 — welks eerste lid niet naar art. 144 verwijst — heeft geoordeeld dat laatstgenoemde bepaling ‘onverkort van toepassing is op de procedure in hoger beroep’ en dat dit oordeel bovendien nader had moeten worden gemotiveerd nu het niet voor de hand lag. Beide klachten stuiten daarop af dat, al moge de bepaling over toelating tot de pleidooien niet voorkomen in de -limitatieve — opsomming van art. 353 lid 1, art. 144 niettemin als onderdeel van de voorschriften omtrent ‘de wijze van procederen’ in eerste aanleg, krachtens art. 347 lid 1 in hoger beroep toepasselijk is.

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

3.3.1

Middel I bevat vier klachten.

3.3.2

De eerste klacht gaat ervan uit dat een beslissing waarbij op verzoek van partijen of één hunner een dag voor pleidooi wordt bepaald, moet worden aangemerkt als een incidenteel vonnis. Dit uitgangspunt is onjuist: het gaat om een beschikking ter rolle. Deze klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.3.3

De tweede en de vierde klacht verwijten de Rechtbank dat zij heeft vastgesteld dat nadat Boumans had verzocht om te worden toegelaten tot de pleidooien, de zaak ter beslissing op dit verzoek is verwezen naar de kamer die het bestreden vonnis heeft gewezen: de klachten komen erop neer dat deze vaststelling onverenigbaar is met hetgeen uit het desbetreffende audiëntieblad blijkt (vgl. 3.1). Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgedragen: zij miskennen dat de Hoge Raad, krachtens art. 419, derde lid, gebonden is aan de bestreden vaststelling van de Rechtbank en dat zèlfs als deze vaststelling zou afwijken van wat uit het audiëntieblad zou blijken, — wat, gezien de beknoptheid van de aantekeningen in dit gedingstuk niet noodzakelijk het geval is — deze afwijking die vaststelling niet zonder meer onbegrijpelijk zou maken (vgl. HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335).

3.3.4

De derde klacht klaagt erover dat de Rechtbank het verzoek van Boumans te worden toegelaten tot de pleidooien heeft afgewezen terwijl de wederpartij tegen toewijzing geen bezwaar uitte en de openbare orde zich daartegen niet verzet.

Deze klacht doet, in verband met art. 48 Rv., de vraag rijzen of in burgerlijke zaken in acht te nemen fundamentele procesrechtelijke beginselen meebrengen dat de rechter het verzoek van één der partijen haar zaak te mogen bepleiten slechts mag afwijzen indien de wederpartij zich tegen toewijzing van dat verzoek verzet en dan enkel op grond van daarbij aangevoerde klemmende redenen welke het bij uitzondering afwijzen van zulk een verzoek rechtvaardigen.

Deze vraag is niet in het debat van partijen betrokken en ook het Openbaar Ministerie heeft zich niet erover uitgelaten. Dit geeft aanleiding de behandeling van de zaak te heropenen teneinde partijen en het Openbaar Ministerie gelegenheid te geven zich erover uit te spreken.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

heropent de behandeling en verwijst de zaak naar de rol van 27 oktober 1995 voor het geven van nadere schriftelijke toelichting over de onder 3.3.4 aangeduide vraag;

houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Openbaar Ministerie ter zake zal hebben geconcludeerd.

Conclusie

A‑G mr. Vranken

Het geschil in cassatie

1

Het onderhavige geval betreft een procesrechtelijke verwikkeling in appel. Bij inleidend verzoekschrift beroept Boumans zich op de nietigheid van het hem gegeven ontslag op staande voet en vordert hij doorbetaling van salaris c.a. De kantonrechter wijst de vordering toe. ‘t Plenkske appelleert en dient van grieven. Boumans neemt ondanks een laatste uitstel geen memorie van antwoord. Daarop ontzegt de rechtbank hem het recht dit te doen. Boumans vraagt pleidooi.

2

Het is op dit punt dat de procesrechtelijke verwikkeling begint. Boumans verdedigt dat de rolrechter zijn verzoek heeft ingewilligd en pleidooi heeft bepaald op 10 mei 1994. Ten bewijze hiervan legt hij in cassatie een uittreksel over uit het audiëntieblad van de rechtbank, week 2, p. 32, waarop bij de zaak Bistro ‘t Plenkske/Boumans vermeld is: ‘10.5.94 pleidooi 10.00 uur’. In het thans bestreden vonnis daarentegen overweegt de (meervoudige kamer van de) rechtbank dat de rolrechter de zaak heeft verwezen naar deze kamer teneinde alsnog te beslissen op het verzoek van Boumans om toegelaten te worden tot het pleidooi.

3

De rechtbank wijst het verzoek af. De beslissing steunt op art. 144 Rv. Die bepaling is volgens de rechtbank onverkort van toepassing op de procedure in hoger beroep, in die zin dat partijen pas na een wisseling van conclusies tot het pleidooi kunnen worden toegelaten. Aangezien Boumans niet van antwoord heeft geconcludeerd, is aan deze voorwaarde niet voldaan. De rechtbank verwijst de zaak voor fourneren naar de rol van 16 juni 1994.

4

Boumans is van deze beslissing tijdig in cassatie gekomen. Hij heeft twee middelen van cassatie aangevoerd. ‘t Plenkske heeft aanvankelijk verstek laten gaan, maar dit verstek naderhand gezuiverd en tot verwerping geconcludeerd. Elk der partijen heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht. Er is gere‑ en gedupliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5

Middel I beoogt, kort gezegd, de bodem onder de beslissing van de rechtbank weg te slaan met de stelling dat het de meervoudige kamer van de rechtbank niet meer vrij stond om nadat de rolrechter pleidooi had bepaald op 10 mei 1994 — een incidenteel vonnis, aldus het middel —, alsnog te beslissen zoals zij gedaan heeft. Middel II bestrijdt de afwijzing van het verzoek om toegelaten te worden tot het pleidooi op inhoudelijke gronden.

6

De eerste, tweede en vierde klacht van middel I stuiten af op een gebrek aan feitelijke grondslag in de voor de Hoge Raad kenbare stukken van het geding (art. 419 lid 2 Rv): het door Boumans in cassatie overgelegde audiëntieblad behoort niet tot deze stukken. Een situatie als aan de orde was in HR 15 januari 1993, NJ 1993, 594 en HR 2 april 1993, NJ 1993, 595 doet zich in casu niet voor en kan derhalve niet tot een andere beslissing leiden.

7

Ook indien het audiëntieblad wèl tot de in cassatie kenbare stukken mag worden gerekend, falen de eerste, tweede en vierde klacht van middel I. De rechter is bij hetgeen hij in zijn vonnis vaststelt niet gebonden aan wat daarover in een proces-verbaal is vermeld, zodat een verschil tussen de inhoud van het proces-verbaal en de overweging van de rechter waarop zijn beslissing steunt, deze laatste niet zonder meer onbegrijpelijk maakt. Aldus HR 21 januari 1994, NJ 1994, 335 dat verwijst naar HR 30 maart 1979, NJ 1979, 510. In meer algemene zin spreekt art. 419 lid 3 Rv de voorrang uit van vaststellingen in de bestreden uitspraak boven die welke in de gedingstukken zijn te vinden. Zie over deze bepaling o.m. Veegens-Korthals Altes-Groen, 1989, nr. 162.

8

Zou derhalve in casu het audiëntieblad tot de in cassatie kenbare gedingstukken behoren, dan zou de vaststelling in het vonnis desondanks in beginsel prevaleren. Alleen wanneer de vaststelling onbegrijpelijk is of wanneer de rechtbank daarbij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zou dit anders zijn. Over onbegrijpelijkheid of enig ander gebrek in de motivering klaagt middel I echter niet, terwijl Boumans’ standpunt dat het bepalen van een datum voor pleidooi

gesteld al dat het audiëntieblad zo moet worden uitgelegd en niet in de zin dat de rolrechter bedoeld heeft dat de meervoudige kamer op 10 mei 1994 uitspraak doet over Boumans’ verzoek tot pleidooi: eenduidig is de aantekening op het audiëntieblad allerminst —

als een incidenteel vonnis moet worden aangemerkt, mij onjuist lijkt. Het door Boumans genoemde arrest van HR 3 februari 1984, NJ 1984, 765, r.o. 3.5 bewijst niet het tegendeel. Het arrest onderstreept het belang van het pleidooi door de overgelegde pleitnota tot de gedingstukken te rekenen, maar daarmee is het vaststellen van een dag voor pleidooi nog geen incidenteel vonnis. Net als het bepalen van termijnen voor conclusies of het verlenen van uitstel e.d. is het een maatregel ter rolle die enkel wordt genomen ter verzekering van de geregelde loop van de zaak en/of ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak. Enig inhoudelijk element ontbreekt.

Daarom ook staat tegen zo’n rolbeschikking geen enkel rechtsmiddel open. Vergelijk voor verdere gegevens over rolbeschikkingen de conclusies van A‑G Asser voor HR 13 september 1991, NJ 1991, 767 (sub 4.3) en HR 10 september 1993, NJ 1994, 507 (sub 2), alsmede zijn conclusie van 28 april 1995 in de zaak rolnummer 15.688 (NJ 1996, 200; red.) (sub 2.12–2.17).

9

Ik teken nog aan dat ik wel geneigd ben om op dezelfde wijze als het verlenen van akte van niet-dienen in HR 10 september 1993, NJ 1994, 507, het weigeren van pleidooi als een incidenteel vonnis aan te merken, maar dat is niet wat in casu, uitgaande van de lezing van Boumans, aan de orde is. In casu gaat het om een beslissing waarin een datum voor pleidooi is bepaald. Het gaat te ver ook dit soort beslissingen betreffende de normale (voort)gang van het geding als incidentele vonnissen aan te merken. Zou men dat doen dan zou (vrijwel) iedere rolbeslissing een incidenteel vonnis zijn waarop de rechter in dezelfde instantie niet meer mag terugkomen en waarvan tussentijds appel mogelijk is.

10

De derde klacht van middel I faalt omdat de beslissing op een verzoek tot pleidooi niet mede afhankelijk is van het al of niet uiten van bezwaar daartegen door de wederpartij.

11

Middel II verwijt de rechtbank art. 353 Rv te hebben geschonden door te overwegen dat art. 144 Rv in de procedure in hoger beroep onverkort van toepassing is. Het middel acht dit onjuist, omdat art. 144 Rv in art. 353 Rv niet wordt genoemd. De klacht faalt. Zij ziet over het hoofd dat art. 144 Rv via art. 347 Rv in hoger beroep geldt. De motiveringsklacht van middel II faalt omdat rechtsoordelen niet met succes met motiveringsklachten kunnen worden bestreden.

Terecht heeft mr. Barendrecht in zijn dupliek opgemerkt dat middel II niet de klacht bevat dat, gegeven dat art. 144 Rv in appel wèl toepasselijk is, de rechtbank een onjuiste beslissing heeft gegeven door Boumans niet toe te laten tot het pleidooi. De Hoge Raad zou de kwestie desondanks bij wege van obiter dictum kunnen beslissen. Indien hij dit overweegt en behoefte heeft aan een conclusie op dit punt, ben ik daartoe uiteraard gaarne bereid.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.