HR 19-06-1911, W 9203 Hoornse taart

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

Hoornse taart

Datum uitspraak 19-06-1911
Bron Hoge Raad
Rechters Laman Trip, Hanlo, Nypels, Krabbe, Bosch
Advocaat-Generaal Van Hangest baron d’Yvoy
Soort zaak straf
Soort procedure cassatie
Wetgeving art.
Vindplaats W 9203

Uit de opgaven van beklaagde heeft het Hof aanwijzingen kunnen putten en dus ook mogen putten, voor het bewijs, dat al was des beklaagden beweegreden tot zijne daad alleen zijne begeerte om een bepaald persoon uit den weg te ruimen, toch zijn plan mede omvatte het dooden van die personen, die van de bij eerstbedoelden persoon te bezorgen taart mochten eten, en wel in het bijzonder van de vrouw van dien persoon.
Ook uit eene verklaring van den beklaagde omtrent hetgeen hij na de daad dacht en naliet kan eene aanwijzing worden geput voor het bewijs, dat de tevoren verrichte daad met voorbedachten rade werd gepleegd.
De omstandigheid, dat een persoon in zekeren kring veel heeft in te brengen, d. w. z. feitelijk gezag uitoefent, is voor zintuigelijke waarneming vatbaar.

Arrest

 

  1. J. B., oud 63 jaar, winkelier en kantoorbediende, geboren en wonende te Hoorn, gedetineerd in het Huis van Bewaring te Amsterdam, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 Maart 1911, waarbij de requirant in hooger beroep met vernietiging van een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Alkmaar van 13 Dec. 1910, en met gedeeltelijke vrijspraak van de aanklacht, werd schuldig verklaard aan moord en poging tot moord, en met toepassing van de artt. 45, 55 en 289 Strafr., werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, et beschikking over de stukken van overtuiging, zooals in het arrest staat vermeld.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Bosch, en het beroep namens den requirant was toegelicht door Mr. H. J. van Nieukerken, advocaat te Amsterdam, heeft de adv.-gen. van Hangest baron d’Yvoy de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heeren!

 

Deze requirant heeft zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam dd. 9 Maart jl. waarbij hij ter zake van „moord en poging tot moord” werd veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Bij pleidooi werden twee cassatiemiddelen voorgesteld:

1°. „Schending van de artt. 211, 214, 216, 221, 223, 239 en 247 Strafv. j°. art. 289 Strafr. o. a. doordat ’s Hofs arrest niet, althans onvoldoende met redenen is omkleed ten aanzien van het bewezen verklaarde feit, dat de requirant in cassatie te Amsterdam […] met voorbedachten rade M. M. […] van het leven heeft beroofd”;

2°. „Schending van de artt. 391 en 392 jis 403, 407 Strafv. doordat het Hof als erkentenis heeft beschouwd eene opgave van den requirant in cassatie zelven welke geen erkentenis in den zin der wet is; en mede op die ten onrechte als erkentenis beschouwde opgave zijn veroordeeling heeft gebaseerd; welke opgave luidt „dat hij vroeger wel had opgemerkt dat die vrouw in haar echtelijke woning veel in te brengen had”.

Indien ik de toelichting tot het eerste middel juist heb begrepen dan is de daarin vervatte grief deze dat het Hof, aannemende dat de met voorbedachten rade gepleegde levensberooving van M. M. te Amsterdam plaats had, niet voldoende heeft gemotiveerd dat requirant vóór het afzenden van de taart uit Amsterdam, subjectief het plan had beraamd om die vrouw te dooden. Het Hof heeft dit opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van M. M. bewezen verklaard door aanwijzingen voortvloeiende uit de erkentenissen van beklaagde en de verklaringen van getuigen.
Daaruit volgt o. a. dat beklaagde die geruimen tijd te voren het plan heeft opgevat om W. M. van het leven te beroven, dat hij met dat oogmerk in een door hem gekochten taart eene laetale hoeveelheid rattekruid heeft gedaan, deze taart uit Haarlem medegenomen heeft naar Amsterdam, en vandaar ter uitvoering van zijn vooraf beraamd plan heeft afgezonden aan het adres van M. voormeld te Hoorn; dat hij wist dat M. was gehuwd en samenwoonde met M. M., dat deze vrouw in hare echtelijke woning veel had in te brengen, dat beklaagde bij het volvoeren van zijne handelingen de overtuiging had dat diegenen die van de taart zouden eten ten gevolge van vergiftiging zouden sterven, dat hij bij de uitvoering van zijn plan ook wel aan die vrouw gedacht heeft, dat hij ter voorkoming dat die vrouw van de taart zou eten niets heeft gedaan. Het besluit tot het dooden van M. was in kalm overleg gevormd en beklaagde moet zich daarbij rekenschap hebben gegeven van de beteekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad; gelet op het middel waardoor hij dien beoogden dood wilde veroorzaken, en op de hem bekende omstandigheid dat de vrouw van M. bij dezen inwoonde kon hij redelijkerwijs niet anders verwachten dan dat deze ook van de toegezonden zou nuttigen; al heeft nu beklaagde alléén den wensch gekoesterd om M. van het leven te beroven, maar hij geen enkelen maatregel genomen heeft bij de ten uitvoerlegging van zijn te voren beraamd plan om te beletten dat anderen, dan M. van de taart aten, terwijl hij redelijkerwijskon begrijpen dat anderen, in casu de vrouw, dit zouden doen; waar hij bij de uitvoering nog aan die vrouw heeft gedacht; daar heeft hij ook den dood van die vrouw gewild als gevolg van zijn vooraf beraamd plan in zijn geheel. Een afzonderlijk voorafgaand plan om juist die vrouw te dooden is onder deze omstandigheden niet vereischt om ook ten haren opzichte te kunnen aannemen voorbedachten rade. Waar alzoo beklaagde ter uitvoering van zijn voornemen om een bepaald persoon met voorbedachten rade van het leven te beroven, een middel kiest, waarvan hij weet, dat het tevens den dood van anderen kan veroorzaken, is indien het middel doel heeft getroffen, hij ook ten aanzien van die andere personen, die gedood zijn, aan moord schuldig.

Al hetgeen is aangevoerd als noodzakelijk voor het begrip van voorbedachten raad, hoewel in menig opzicht juist, komt m. e. in dit geval niet te pas; en de motiveering in het bestreden arrest op dit punt komt mij voldoende voor. Ik houd het middel daarom voor ongegrond.

Ten aanzien van het tweede middel: elke opgaaf van beklaagde omtrent door hem waargenomen feiten of omstandigheden, die in verband staan met het gepleegde misdrijf, kan als eene erkentenis in den zin van art. 407 4°. Strafv. worden aangemerkt. Van zoodanige opgaaf is hier sprake; immers „dat eene vrouw in de echtelijke woning veel in te brengen heeft”, is een feit dat zich naar buiten openbaart door spreken en wijze van optreden, en is mitsdien voor uiterlijke waarneming vatbaar. Waar nu beklaagde erkent te hebben opgemerkt dat de vrouw in de echtelijke woning veel in te brengen had, kan dit feit en de verklaring daaromtrent op eigen waarneming berusten. Ook dit middel acht ik ongegrond.

Mijne conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, […]

 

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi:
[…]

Overwegende, dat bij het bestreden arrest van het den requirant bij de inleidende dagvaarding te laste gelegde, met des requirants schuld daaraan wettig en overtuigend bewezen is verklaard: dat hij te Amsterdam in het laatst van Sept. 1910 opzettelijk en met voorbedachten rade M. M., huisvrouw van W. M. van het leven heeft beroofd en opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gepoogd W. M. van het leven te berooven doordat hij, na vooraf het voornemen te hebben opgevat en het besluit te hebben genomen W. M. voornoemd van het leven te beroven, ter uitvoering van dat misdadig voornemen en met het oogmerk om hem en het opzet om ook andere personen, die van de taart mochten eten, te dooden, op 28 Sept. 1910 te Haarlem eene letale hoeveelheid arsenictrioxyde (rattenkruid) zijnde een voor hem, die het inneemt levensgevaarlijk vergift, hetwelk hij voor dit doel uit Hoorn had medegenomen, heeft gedaan in eene door hem te Haarlem gekochte taart, welke aldus vergiftigde taart hij op dienzelfden dag te Amsterdam per van Gend en Loos en Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij heeft verzonden aan het adres van „den heer M., marktmeester, Groote Oost te Hoorn”, en welke taart aan dat adres den 29 Sept. 1910 is bezorgd en aangenomen en van welke taart hij, beklaagde, allen grond had aan te nemen, dat door W. M. en zijne huisgenoote M. M. voornoemd zoude worden gegeten, en waarvan inderdaad in den namiddag van gemelden 29 Sept. 1910 door die vrouw is gegeten, met het gevolg dat zij den 30 Sept. 1910, tengevolge van arsenicumvergiftiging is overleden, zijnde alleen tengevolge van de van zijn, beklaagdes, wil onafhankelijke omstandigheid, dat W. M. niet van de taart heeft gebruikt, deze niet overleden;

Your ads will be inserted here by

Easy Plugin for AdSense.

Please go to the plugin admin page to
Paste your ad code OR
Suppress this ad slot.

dat in het bestreden arrest deze feiten zijn gequalificeerd en te dier zake straf is opgelegd als aan het hoofd van dit arrest is vermeld;

  1. alsnu ten aanzien van het eerste middel:

dat dit blijkens de toelichting hierop steunt, dat, terwijl vaststaat dat des requirants beweegreden tot zijne daad uitsluitend was zijne begeerte om M. uit den weg te ruimen en hij alleen ter vervulling dier begeerte zijn plan tot toezending eener vergiftigde taart aan dien M. uitdacht en voorbereidde, – toch is aangenomen, dat hij daarbij mede het vergiftigen van de verslagene M. M. huisvrouw M. beoogde en dus ook ten haren opzichte zijne daad met voorbedachten rade pleegde, zulks terwijl de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhouden waaruit die voorbedachte raad ten aanzien van M. M. kan worden afgeleid, wat in het bijzonder niet het geval zou zijn met de in het arrest opgenomen uitlating van den requirant, dat hij – nà verzending der taart uit Amsterdam naar Hoorn terugkeerde – in den trein tot de stellige verwachting is gekomen, dat M. M. van de taart zou eten en des ongeacht, schoon het onheil toen nog kon worden voorkomen, niets gedaan heeft om het te voorkomen; – dat toch bewezen werd verklaard, dat de daad te Amsterdam gepleegd werd en dus de voorbedachte raad onmogelijk kan worden afgeleid uit wat de requirant dacht of naliet, nadat hij Amsterdam, nà het plegen der daad verlaten had;

dat derhalve het middel geen verdere strekking heeft dan dat het Hof uit de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen niet kon en dus ook niet mocht afleiden, dat – niettegenstaande des requirants beweegreden tot zijne daad geen andere was dan zijne begeerte om M. te dooden – toch zijn ter vervulling dier begeerte uitgedacht en uitgevoerd plan, waaruit van zijn voorbedachten raad blijkt, mede betrekking had op de gevolgde opzettelijke vergiftiging van de verslagene M. M.;

  1. hieromtrent:

dat in het bestreden arrest zijn opgenomendoor het Hof tot bewijs van aanwijzingen gebezigde opgaven van den requirant houdende: „dat hij bij het volvoeren van dat een en ander (te weten het voorbereiden der afzending en afzending der vergiftigde taart), de overtuiging had, dat degene, die van die taart zou eten, sterven zou ten gevolge van vergiftiging door het zich daarin bevindende rattenkruid;

dat hij weet, dat M. was gehuwd en aan bovengemeld adres (waaraan de taart verzonden werd) samenwoonde met M. M., dat hij bij de uitvoering van zijn gemeld plan ook wel aan de vrouw gedacht heeft; dat hij ter voorkoming, dat die vrouw van die taart met den geadresseerde, haar man, medehuisgenoot, zoude eten, niets heeft gedaan”, en dan verder: „dat hij in den trein tusschen Amsterdam en Hoorn (namelijk nà de verzending der taart uit Amsterdam) tot het duidelijk inzicht en de stellige verwachting is gekomen, dat de vrouw van M. wel van de taart zoude eten; dat hij des ondanks evenwel, hoewel het toen daarvoor nog tijd was, niets gedaan heeft om te voorkomen, dat genoemde M. M. van die taart gebruikte”;

dat uit die opgaven van den requirant het Hof aanwijzingen kon en dus ook mocht putten voor het bewijs, dat – al was des requirants beweegreden tot zijne daad alleen zijne begeerte om M. uit den weg te ruimen, – toch zijn vooromschreven plan mede omvatte het dooden van die personen, die van de eenmaal bij M. bezorgde taart mochten eten en wel in het bijzonder van de verslagene M. M.;

dat, voor wat betreft de boven in de tweede plaats weergegeven opgaaf van den requirant, hieraan niet in den weg staat, dat zij weergeeft wat de requirant nà het plegen der daad dacht en naliet, daar in het algemeen niets belet om ook daaruit aanwijzingen te putten voor het bewijs, dat de te voren verrichte daad met voorbedachten rade werd gepleegd;

dat derhalve – daar de bewijskracht der door den rechter, die over de feiten oordeelt gebezigde aanwijzingen, aan het oordeel van den rechter in cassatie is onttrokken, – dit middel niet tot cassatie kan leiden;

O., ten aanzien van het tweede middel:

dat de daarin weergegeven erkentenis van den requirant inderdaad tot het bewijs der aanklacht heeft medegewerkt, wat blijkens de toelichting van het middel geacht wordt in strijd te zijn met de wettelijke regelen omtrent het bewijs in strafzaken, omdat die erkentenis niet zou loopen over een voor waarneming met de zinnen vatbaar feit;

dat dit echter is onjuist, daar wel degelijk voor zoodanige waarneming vatbaar is dat een persoon in zekeren kring „veel heeft in te brengen”, dat wil zeggen: feitelijk gezag uitoefent, zoodat ook dit middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

Noot

 

Het arrest van het Hof, waartegen de cassatie was gericht, is opgenomen in W. 9154. De daarbij besliste zaak is een belangwekkend voorbeeld voor de leer van het voorwaardelijke opzet, door het Hof blijkens zijne beslissing ook bij het misdrijf van moord als voldoende aangenomen. Het is wel jammer, dat de vraag, of, en binnen welke grenzen het voorwaardelijk opzet in onze wet mag gelden, niet principieel aan het oordeel van den H. R. is onderworpen. Ik erken, dat een te dien aanzien geformuleerd middel gemakkelijk zou kunnen zijn ter zijde gesteld op grond van de feitelijke beslissing, doch onmogelijk zou het niet geweest zijn de quaestie tot eene vraag van recht te maken. Men vgl. overigens: Rechtspraak, Eerste Boek, Algemeene Bepalingen, aantt. 3 en 4, van Hamel, Inleiding, bl. 327-329 en 335-337, en mijn Leerboek, I bl. 162-166. Zooals bekend, is mr. Noyon van oordeel, dat het voorwaardelijk opzet bij ons niet mag gelden. Zie zijn commentaar, I bl. 5, en zijne conclusie bij arrest 21 Mei 1900 W. 7461.

D. S.